Internationaal recht
Open Universiteit
2025
VK1 – introductie en module 1
,Vraag 1: Zoek in uw reader op wat de belangrijkste organen van de VN zijn en in
welk verdrag en in welk artikel deze genoemd zijn.
Artikel 7 VN-Handvest. Als hoofdorganen van de VN worden ingesteld: een
algemene vergadering, een veiligheidsraad, een economische en sociale raad,
een Trustschapsraad, een internationaal Gerechtshof en een Secretariaat. 2
hulporganen waaraan behoefte zou blijken te bestaan kunnen overeenkomstig
dit Handvest worden ingesteld (reader 1, tekst 4, vanaf blz. 23.)
Vraag 2: zoek in uw reader een uitspraak van het Internationaal Gerechtshof op.
Bijvoorbeeld tekst 21 en tekst 24 van reader 1 (let op ICG).
Vraag 3: zoek op waar art. 26 van het Weens verdragenverdrag over gaat.
Art. 26 Verdragenverdrag: elk in werking getreden verbindt de partijen en moet
door hen te goeder trouw ten uitvoer worden verdragen gelegd. Reader 1, tekst
19, blz 153.
Vraag 4: in een dualistisch model:
a. Moet het internationale recht eerst omgezet worden naar nationaal recht
wil het geldend zijn.
b. Is het internationale recht automatisch geldend.
Antwoord A is juist.
Vraag 5: Nederland heeft een:
a. Monistisch stelsel;
b. Dualistisch stelsel;
c. Een gematigd dualistisch stelsel;
d. Een gematigd monistisch stelsel;
Antwoord D is juist. Uit art. 93 van de Gw volgt dat een ieder verbindende
bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties
verbindende kracht hebben jegens burgers en rechtspersonen nadat zij zijn
bekend gemaakt. Deze bekendmaking vindt plaats in het Tractatenblad. Zie ook
art. 94 Gw.
VK2 – module 2 en 3
,Vraag 1: welke actor is geen rechtssubject onder internationaal recht?
a. Individu;
b. Het internationaal strafrecht;
c. De Algemene Vergadering van de VN.
Antwoord C is juist. De AV is enkel een orgaan van de VN; de VN is het
rechtssubject.
Vraag 2: aan welke subjecten komt de volledige rechtssubjectiviteit toe onder IR?
a. Multinationale ondernemingen;
b. Staten;
c. De facto-regimes;
d. De internationale organisaties.
Antwoord B is juist. Dit zijn primaire rechtssubjecten. Staten beslissen welke
andere actoren ook rechtssubjecten mogen zijn, in welke rechtsbetrekkingen en
onder welke voorwaarden (specialiteitsbeginsel).
Vraag 3: binnen welke deelgebieden van IR hebben zowel staten als natuurlijke
personen de rechtssubjectiviteit?
a. Verdragenrecht;
b. Recht inzake het gebruik van geweld;
c. Internationaal strafrecht.
Antwoord C is juist. Individuen hebben daaronder rechten en plichten (de plicht
om geen kernmisdrijven te plegen; het recht op een eerlijk proces). Staten
hebben een plicht om samen te werken met de internationale straftribunalen.
Vraag 4: wat is geen zelfstandige voorwaarde van staatvorming?
a. Permanente bevolking;
b. Afgebakend grondgebied;
c. Overheid/gezagsstructuur;
d. Vermogen tot aangaan van relatie met andere staten.
Antwoord D is juist. Dit is het gevolg van hun omvatting dat aan het hoofdcriteria
voldaan is.
Oefenvraag module 2 (rechtspersoonlijkheid)
Tijdens de persconferentie in het Witte Huis op 5 februari 2025 heeft de
President van de VS D.J. Trump zijn intentie bekendgemaakt de politieke controle
over te nemen over de Gazastrook. Onder verwijzing naar de treurige toestand
van de infrastructuur en het ongeziene niveau van verwoesting die toegebracht
is tijdens het conflict tussen Israël en Hamas in Gaza, heeft Trump het idee
geopperd dat de VS de Gazastrook in ‘een langdurig gebruik’ moet nemen van
Israël dit gebied om te toveren tot ‘Rivièra van Midden-Oosten’ – terwijl de
Palestijnen die steeds in Gaza zijn als vluchtelingen zich voor altijd zullen moeten
huisvesten in de buurlanden als Egypte en Jordanië. De Arabische landen hebben
dit voorstel verworpen. ‘Er is geen ander alternatief,’ zei Trump. ‘Gaza is een
totaal sloopterrein’. Beoordeel het voorstel van Trump vanuit het juridische
oogpunt. Geef een geredeneerd antwoord op deze vragen op grond van de
relevante bronnen en theorieën van IR:
1. Komt Palestina in aanmerking als een staat onder IR?
Het antwoord dient te worden gegeven aan de hand van het Montevideo
Verdrag inzake de Rechten en Plichten van Staten (1933). Art. 1 schrijft de
volgende kwalificaties voor waarover de staat als persoon onder IR dient
te beschikken:
a. een permanente bevolking;
b. een afgebakend grondgebied;
, c. overheid + geen zelfstandig criterium:
d. (het vermogen tot het aangaan van relaties met andere staten).
Palestina is bevolkt door de Palestijnen die zowel historische als juridische
banden hebben met het land (waaronder de nationaliteit). Palestina heeft
derhalve een permanente bevolking. Het feit dat zijn grondgebied betwist
is door Israël die het illegaal bezet en de illegale nederzettingen bouwt op
de Westerse Oever van het Jordaanrivier, doet niet af aan het bestaan van
een afgebakend grondgebied (Gaza en de Westerse Oever, waaronder
Oost-Jerusalem). Geschillen t. a.v. de titel en de grenzen hangen boven
meerdere staten. Dat betekent niet dat hun grondgebied niet voldoende
kan worden gedefinieerd of dat er geen sprake is van het bestaan van een
staat. Een kanttekening kan ook worden geplaatst bij het criterium van
gezagsstructuur en haar effectiviteit, gezien de versnippering tussen
Hamas en de Palestijnse Autoriteit. Maar dat de 1 gebieden—Gaza en het
Westerse Oever—worden geregeerd, hoe uitdagend het ook is, is niet in
twijfel. De 4e parameter staat voor de erkenning door andere staten dat
Palestina voldoet aan de voorgaande 3 eisen. Ongeacht enkele staten het
betwisten, komt Palestina in aanmerking als staat. Het feit dat Palestina
aanvaard is door de AV van de VN als een waarnemende (niet-lid)staat
vormt verder bewijs dat het een staat is.
2. Doet het feit dat Palestina niet universeel erkend is af aan zijn
internationaalrechtelijke status als een staat?
De (universele) erkenning is geen voorwaarde voor de totstandkoming
van een staat (zie ook het Montevideo Verdrag art. 3). Er zijn meerdere
staten die niet door alle andere staten zijn erkend. Het antwoord zal
worden gekleurd door de leer van erkenning die men aanhangt maar dit
verandert de kern niet. Onder de constitutieve theorie wordt erkenning
door andere staten beschouwd als noodzakelijk voor de totstandkoming
van een nieuwe staat. Maar deze theorie is niet langer dominant; de
feitelijke situatie is belangrijker, hoewel de erkenning wel juridische
gevolgen heeft en er een correctieve functie aan kan kleven (Nollkaemper
nrs 96-97). Maar de niet-erkenning door o.a. de VS en Israël weegt op zich
niet op tegen de erkenning van de staat Palestina door andere 146 staten.
Volgens de declaratoire theorie is de erkenning sowieso geen voorwaarde
voor de totstandkoming van een staat maar eerder een bewijs dat de
andere staten van mening zijn dat wel voldaan is aan de betreffende
criteria. Al met al, het feit dat bepaalde staten Palestina niet erkennen als
staat ontneemt hem deze status niet.
3. Staat IR de VS (of Israël) toe het grondgebied van Gaza tot zijn eigendom
te maken met het oog op wederopbouw of welk doel dan ook?
Verovering en annexatie zijn langer geen rechtmatige manieren waarop
een juridische titel (een permanent gebruik, het nemen in eigendom enz.)
op een bepaald grondgebied kan worden verworven onder IR. De
Gazastrook is een integrerend onderdeel van het grondgebied van de
staat van Palestina. Het mag Palestina niet worden onteigend voor (of
zonder) betaling door de VS. De VS mag ook het grondgebied niet
‘overnemen’ van Israël die het (illegaal) bezet en daar zelf geen
soevereine titel op heeft. De territoriale integriteit van Palestina als een
(gedeeltelijk erkende) staat dient te worden gerespecteerd. Daarnaast
heeft het Palestijnse volk het recht op zelfbeschikking, waaronder het
recht te blijven wonen op dit grondgebied. Het onder dwang overbrengen
of de deportatie van de bevolking is een schending van jus cogens-
normen en een internationaal misdrijf (zowel een oorlogsmisdaad als een
misdrijf tegen de menselijkheid; er kan ook sprake zijn van genocide).
Open Universiteit
2025
VK1 – introductie en module 1
,Vraag 1: Zoek in uw reader op wat de belangrijkste organen van de VN zijn en in
welk verdrag en in welk artikel deze genoemd zijn.
Artikel 7 VN-Handvest. Als hoofdorganen van de VN worden ingesteld: een
algemene vergadering, een veiligheidsraad, een economische en sociale raad,
een Trustschapsraad, een internationaal Gerechtshof en een Secretariaat. 2
hulporganen waaraan behoefte zou blijken te bestaan kunnen overeenkomstig
dit Handvest worden ingesteld (reader 1, tekst 4, vanaf blz. 23.)
Vraag 2: zoek in uw reader een uitspraak van het Internationaal Gerechtshof op.
Bijvoorbeeld tekst 21 en tekst 24 van reader 1 (let op ICG).
Vraag 3: zoek op waar art. 26 van het Weens verdragenverdrag over gaat.
Art. 26 Verdragenverdrag: elk in werking getreden verbindt de partijen en moet
door hen te goeder trouw ten uitvoer worden verdragen gelegd. Reader 1, tekst
19, blz 153.
Vraag 4: in een dualistisch model:
a. Moet het internationale recht eerst omgezet worden naar nationaal recht
wil het geldend zijn.
b. Is het internationale recht automatisch geldend.
Antwoord A is juist.
Vraag 5: Nederland heeft een:
a. Monistisch stelsel;
b. Dualistisch stelsel;
c. Een gematigd dualistisch stelsel;
d. Een gematigd monistisch stelsel;
Antwoord D is juist. Uit art. 93 van de Gw volgt dat een ieder verbindende
bepalingen van verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties
verbindende kracht hebben jegens burgers en rechtspersonen nadat zij zijn
bekend gemaakt. Deze bekendmaking vindt plaats in het Tractatenblad. Zie ook
art. 94 Gw.
VK2 – module 2 en 3
,Vraag 1: welke actor is geen rechtssubject onder internationaal recht?
a. Individu;
b. Het internationaal strafrecht;
c. De Algemene Vergadering van de VN.
Antwoord C is juist. De AV is enkel een orgaan van de VN; de VN is het
rechtssubject.
Vraag 2: aan welke subjecten komt de volledige rechtssubjectiviteit toe onder IR?
a. Multinationale ondernemingen;
b. Staten;
c. De facto-regimes;
d. De internationale organisaties.
Antwoord B is juist. Dit zijn primaire rechtssubjecten. Staten beslissen welke
andere actoren ook rechtssubjecten mogen zijn, in welke rechtsbetrekkingen en
onder welke voorwaarden (specialiteitsbeginsel).
Vraag 3: binnen welke deelgebieden van IR hebben zowel staten als natuurlijke
personen de rechtssubjectiviteit?
a. Verdragenrecht;
b. Recht inzake het gebruik van geweld;
c. Internationaal strafrecht.
Antwoord C is juist. Individuen hebben daaronder rechten en plichten (de plicht
om geen kernmisdrijven te plegen; het recht op een eerlijk proces). Staten
hebben een plicht om samen te werken met de internationale straftribunalen.
Vraag 4: wat is geen zelfstandige voorwaarde van staatvorming?
a. Permanente bevolking;
b. Afgebakend grondgebied;
c. Overheid/gezagsstructuur;
d. Vermogen tot aangaan van relatie met andere staten.
Antwoord D is juist. Dit is het gevolg van hun omvatting dat aan het hoofdcriteria
voldaan is.
Oefenvraag module 2 (rechtspersoonlijkheid)
Tijdens de persconferentie in het Witte Huis op 5 februari 2025 heeft de
President van de VS D.J. Trump zijn intentie bekendgemaakt de politieke controle
over te nemen over de Gazastrook. Onder verwijzing naar de treurige toestand
van de infrastructuur en het ongeziene niveau van verwoesting die toegebracht
is tijdens het conflict tussen Israël en Hamas in Gaza, heeft Trump het idee
geopperd dat de VS de Gazastrook in ‘een langdurig gebruik’ moet nemen van
Israël dit gebied om te toveren tot ‘Rivièra van Midden-Oosten’ – terwijl de
Palestijnen die steeds in Gaza zijn als vluchtelingen zich voor altijd zullen moeten
huisvesten in de buurlanden als Egypte en Jordanië. De Arabische landen hebben
dit voorstel verworpen. ‘Er is geen ander alternatief,’ zei Trump. ‘Gaza is een
totaal sloopterrein’. Beoordeel het voorstel van Trump vanuit het juridische
oogpunt. Geef een geredeneerd antwoord op deze vragen op grond van de
relevante bronnen en theorieën van IR:
1. Komt Palestina in aanmerking als een staat onder IR?
Het antwoord dient te worden gegeven aan de hand van het Montevideo
Verdrag inzake de Rechten en Plichten van Staten (1933). Art. 1 schrijft de
volgende kwalificaties voor waarover de staat als persoon onder IR dient
te beschikken:
a. een permanente bevolking;
b. een afgebakend grondgebied;
, c. overheid + geen zelfstandig criterium:
d. (het vermogen tot het aangaan van relaties met andere staten).
Palestina is bevolkt door de Palestijnen die zowel historische als juridische
banden hebben met het land (waaronder de nationaliteit). Palestina heeft
derhalve een permanente bevolking. Het feit dat zijn grondgebied betwist
is door Israël die het illegaal bezet en de illegale nederzettingen bouwt op
de Westerse Oever van het Jordaanrivier, doet niet af aan het bestaan van
een afgebakend grondgebied (Gaza en de Westerse Oever, waaronder
Oost-Jerusalem). Geschillen t. a.v. de titel en de grenzen hangen boven
meerdere staten. Dat betekent niet dat hun grondgebied niet voldoende
kan worden gedefinieerd of dat er geen sprake is van het bestaan van een
staat. Een kanttekening kan ook worden geplaatst bij het criterium van
gezagsstructuur en haar effectiviteit, gezien de versnippering tussen
Hamas en de Palestijnse Autoriteit. Maar dat de 1 gebieden—Gaza en het
Westerse Oever—worden geregeerd, hoe uitdagend het ook is, is niet in
twijfel. De 4e parameter staat voor de erkenning door andere staten dat
Palestina voldoet aan de voorgaande 3 eisen. Ongeacht enkele staten het
betwisten, komt Palestina in aanmerking als staat. Het feit dat Palestina
aanvaard is door de AV van de VN als een waarnemende (niet-lid)staat
vormt verder bewijs dat het een staat is.
2. Doet het feit dat Palestina niet universeel erkend is af aan zijn
internationaalrechtelijke status als een staat?
De (universele) erkenning is geen voorwaarde voor de totstandkoming
van een staat (zie ook het Montevideo Verdrag art. 3). Er zijn meerdere
staten die niet door alle andere staten zijn erkend. Het antwoord zal
worden gekleurd door de leer van erkenning die men aanhangt maar dit
verandert de kern niet. Onder de constitutieve theorie wordt erkenning
door andere staten beschouwd als noodzakelijk voor de totstandkoming
van een nieuwe staat. Maar deze theorie is niet langer dominant; de
feitelijke situatie is belangrijker, hoewel de erkenning wel juridische
gevolgen heeft en er een correctieve functie aan kan kleven (Nollkaemper
nrs 96-97). Maar de niet-erkenning door o.a. de VS en Israël weegt op zich
niet op tegen de erkenning van de staat Palestina door andere 146 staten.
Volgens de declaratoire theorie is de erkenning sowieso geen voorwaarde
voor de totstandkoming van een staat maar eerder een bewijs dat de
andere staten van mening zijn dat wel voldaan is aan de betreffende
criteria. Al met al, het feit dat bepaalde staten Palestina niet erkennen als
staat ontneemt hem deze status niet.
3. Staat IR de VS (of Israël) toe het grondgebied van Gaza tot zijn eigendom
te maken met het oog op wederopbouw of welk doel dan ook?
Verovering en annexatie zijn langer geen rechtmatige manieren waarop
een juridische titel (een permanent gebruik, het nemen in eigendom enz.)
op een bepaald grondgebied kan worden verworven onder IR. De
Gazastrook is een integrerend onderdeel van het grondgebied van de
staat van Palestina. Het mag Palestina niet worden onteigend voor (of
zonder) betaling door de VS. De VS mag ook het grondgebied niet
‘overnemen’ van Israël die het (illegaal) bezet en daar zelf geen
soevereine titel op heeft. De territoriale integriteit van Palestina als een
(gedeeltelijk erkende) staat dient te worden gerespecteerd. Daarnaast
heeft het Palestijnse volk het recht op zelfbeschikking, waaronder het
recht te blijven wonen op dit grondgebied. Het onder dwang overbrengen
of de deportatie van de bevolking is een schending van jus cogens-
normen en een internationaal misdrijf (zowel een oorlogsmisdaad als een
misdrijf tegen de menselijkheid; er kan ook sprake zijn van genocide).