100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.6 TrustPilot
logo-home
Summary

Aantekeningen, samenvatting, jurisprudentie en oefenvragen Formeel Stafrecht OU

Rating
4.0
(1)
Sold
4
Pages
129
Uploaded on
16-05-2025
Written in
2024/2025

In dit document zijn al mijn aantekeningen van het vak Formeel Strafrecht te vinden. Daarnaast heb ik een samenvatting opgenomen, jurisprudentie uitgewerkt en zijn alle oefenvragen die beschikbaar waren opgenomen. Ik heb het vak zelf via de schakelzone gevolgd dus ik weet niet precies in welk jaar het vak wordt aangeboden.

Show more Read less
Institution
Course











Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Connected book

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Summarized whole book?
Yes
Uploaded on
May 16, 2025
Number of pages
129
Written in
2024/2025
Type
Summary

Subjects

Content preview

Formeel strafrecht
Open Universiteit

Week 1: uitgangspunten van het strafprocesrecht

KK, paragraaf 1.1 t/m 1.6
1.1. Aard en doel van het strafproces
In het materiële strafrecht wordt in abstracto bepaald welke de strafbare feiten
zijn en met welke straffen zij kunnen worden bestraft. De kern van het
strafprocesrecht is gericht op de totstandkoming van een rechterlijke beslissing.
Het hoofddoel van het strafproces is het verzekeren van een juiste toepassing
van het abstracte materiële recht en is tweeledig:
1. Bewerkstellingen dat de schuldigen worden gestraft;
2. Het voorkomen van de bestraffing van onschuldigen.
In ons strafproces geldt het in dubio pro reo-beginsel: de verdachte krijgt het
voordeel van de twijfel (beter 10 vrij dan 1 onterecht vast). Naast het hoofddoel
staan andere doelen die ook nagestreefd moeten worden zodra van een
strafproces sprake is:
a. Eerbiediging van de rechten en vrijheden van de verdachte;
b. Eerbiediging van de rechten en vrijheden van andere betrokkenen;
c. Procedurele rechtvaardigheid;
d. Demonstratiefunctie: openbaarheid ter terechtzitting.
Het gaat in het strafproces uiteindelijk om de vraag of de beslissing verantwoord
is, niet om de vraag of de waarheid is gevonden. In een rechtstaat worden de
verhoudingen tussen de overheid en de burger beheerst door de rule of law. Dat
betekent dat de overheid niet boven de wet staat, maar daaraan is onderworpen.

1.2. Historische ontwikkeling
1.3. De bronnen van het strafprocesrecht
Art. 107 lid 1 Gw bepaalt dat ‘de wet’ onder meer het strafprocesrecht moet
regelen in een algemeen wetboek, dit is het Wetboek van Strafvordering.
Daarnaast heb je drie groepen bijzondere wetten:
a. Wetten die onderwerpen regelen die het strafprocesrecht gemeen heeft
met andere rechtsgebieden: wet op de rechterlijke organisatie of de
Advocatenwet;
b. Wetten die onderwerpen regelen die aan of net over de rand van het
strafprocesrecht liggen: Penitentiaire beginselenwet of de Uitleveringswet;
c. Wetten die voor bepaalde categorieën delicten een afwijkende of
aanvullende strafvorderlijke regeling geven: Opiumwet en Wet wapens en
munitie.
Daarnaast speelt de grondwet en de algemene maatregelen van bestuur een rol.
In het strafprocesrecht zijn daarnaast het EVRM en het Internationaal Verdrag
inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) een steeds belangrijkere rol
gaan spelen (internationaal). Daarnaast spelen Europese regels ook op en legt de
jurisprudentie van de HR de regels uit.
Beginselen van het strafprocesrecht zijn het vertrouwensbeginsel, het beginsel
van zuiverheid van oogmerk en het beginsel van behoorlijke en billijke
belangenafweging. Ook moet een rechter gelijke gevallen gelijk behandelen.
Naast de genoemde beginselen staan andere. Genoemd kunnen worden onder
meer het rechtszekerheidsbeginsel en het legaliteitsbeginsel, de
onschuldspresumptie (art. 6 EVRM) en het daaraan verwante in dubio pro reo-
beginsel, het nemo tenetur-beginsel (6 EVRM jo. 29 Sv) en het algemene
beginsel van fair trial-beginsel.

,1.4. Het legaliteitsbeginsel
Art. 1 Sv: strafvordering heeft alleen plaats op de wijze bij de wet voorzien. Het
artikel bevat in die optiek de opdracht aan de wetgever om het strafproces op
zodanige wijze bij wet in formele zin te regelen, dat het gevaar voor willekeur is
beperkt.

1.5. Verhouding tot andere rechtsgebieden
Het strafprocesrecht en het materiële strafrecht zijn bijna onlosmakelijk met
elkaar verbonden. Ook met het staatsrecht zijn er banden. Zo vormt de
onafhankelijkheid van de (straf)rechter een wezenlijk onderdeel van de trias
politica. De verhouding tot het privaatrecht kan getypeerd worden als een
vreedzame co-existentie. Beide ‘regelstelsels’ bestaan naast elkaar.

1.6. Naar een nieuw Wetboek van Strafvordering
Er is in 2014 een ambitieus wetgevingsprogramma van start gegaan dat is
gericht op de ‘modernisering’ van het Wetboek van Strafvordering. De bedoeling
is om, op basis van de grondslagen van het bestaande wetboek zoals die in het
verbeterprogramma zijn verhelderd en aangepast, tot een consistente en
eigentijdse ordening van de rechtsstof over de hele linie te komen. Niet zeker is
uiteraard of de inspanningen daadwerkelijk tot de inwerkingtreding van een
nieuw wetboek zullen leiden.

KK, paragraaf 2.1 t/m 2.6
2.1. Inleiding
2.2. Het inquisitoire en het accusatoire procesmodel
Voor het inquisitoire model is kenmerkend dat de gerechtelijke autoriteiten een
beslissing namen over de schuld of onschuld van de verdachte op basis van een
door hen ingesteld onderzoek naar de materiële waarheid. Dit was al een groot
verschil in de eerste strategie van bewijsvoering middels reinigingseden en
godsoordelen. Later was het uitgangspunt dat de gerechtelijke autoriteiten de
schuld van de verdachte moesten bewijzen. Aan het bewijsmiddel bekentenis
werd grote waarde toegekend, hetgeen in de praktijk betekende dat dit een
noodzakelijke voorwaarde werd voor een veroordeling. Daardoor ontaarde het
inquisitoire proces. De belangrijkste elementen zijn: de rechters (gerechtelijke
autoriteiten) hebben een actieve rol bij het onderzoeken van een zaak. Zij
oordelen daarbij op basis van de materiële waarheid. Van een partijenproces is
voorts geen sprake. Vervolging en berechting zijn namelijk in één hand verenigd.
Tegenover het inquisitoire kan het accusatoire procestype worden geplaatst.
Kenmerkend is dat de inzet van het geding wordt gezien als een conflict tussen
twee partijen. Aan de ene kant staat een private of openbare aanklager, aan de
andere kant de aangeklaagde. De beide partijen gaan op basis van
gelijkwaardigheid de rechtsstrijd met elkaar aan. De strijd wordt gevoerd ten
overstaan van een onafhankelijke en onpartijdige rechter, die beslist wie er
gewonnen heeft. De rechter heeft een passieve, lijdelijke rol. Hij beslist niet op
basis van een eigen onderzoek naar de ware toedracht, maar op basis van
hetgeen de procespartijen aandragen. De verdachte wordt als een volwaardige
procespartij erkend en heeft het recht zich te verdedigen.
Gemengde stelsels, waarin de pluspunten van het inquisitoire proces
gecombineerd worden met de sterke kanten van het accusatoire proces,
verdienen de voorkeur.

2.3. De inquisitoire wortels van het Nederlandse strafproces
In het huidige Wetboek van Strafvordering wordt het ontworpen processtelsel
omschreven als ‘gematigd accusatoir’. De conclusie kan zijn dat het Nederlandse

,stelsel van strafvordering sterk inquisitoire trekken heeft. Met het accusatoire
proces heeft dat stelsel gemeen dat de verdachte als volwaardige procespartij
wordt erkend. Hij heeft het recht zich te verdedigen en mag zich daarbij
tegenover de hem vervolgende overheid opstellen. Dat contradictoire of
tegensprekelijke element is onder invloed van art. 6 EVRM nog verder versterkt.
Het is echter misleidend om het Nederlandse proces op grond daarvan
(gematigd) accusatoir te noemen. Beter kan gesproken worden van een
contradictoir proces dat op inquisitoire leest is geschoeid.

2.4. In de hoofdrollen
a. De rechter: de Nederlandse rechter is rechter van beroep. Dit is sinds de
afschaffing van de jury in 1813 het geval. De rechter is onafhankelijk en
onpartijdig. De onafhankelijkheid wordt gewaarborgd door benoeming voor
het leven, en door het feit dat de rechter voor zijn uitspraken aan niemand
verantwoording verschuldigd is. De onpartijdigheid van de rechter wordt
onder meer gewaarborgd door de mogelijkheden van verschoning en
wraking.
b. De officier van justitie: de OvJ vertegenwoordigt bij de rechtbank het OM.
Welke deel uitmaakt van de rechterlijke macht, een gegeven waaraan de
OvJ zijn ‘magistratelijke positie’ dankt. Het OM is hiërarchisch
georganiseerd en valt onder de politieke verantwoordelijkheid van het
Ministerie van Justitie en Veiligheid. Dat maakt dat de OvJ niet
onafhankelijk is. Hij is verantwoording verschuldigd aan zijn superieuren
en uiteindelijk aan de minister. De OvJ is belast met het vervolgen van
strafbare feiten. In Nederland geldt het zogenaamde
opportuniteitsbeginsel. Van vervolging mag ook worden afgezien op
gronden aan het algemeen belang ontleend. De rechter moet oordelen
over de feiten die door de OvJ ten laste worden gelegd. De OvJ is daarom
dominus litis. Het OM speelt ook een rol bij de tenuitvoerlegging van
straffen en maatregelen.
c. De verdachte: de verdachte heeft in het strafproces een ‘vrije rol’. Zijn
positie wordt gemarkeerd door de onschuldpresumptie en het nemo
tenetur-beginsel. De verdachte behoeft zijn onschuld niet te bewijzen en
behoeft niet mee te werken aan zijn eigen veroordeling. Ook heeft de
verdachte het recht om te zwijgen. Van strafbare feiten bij het voeren van
de verdediging moet de verdachte zich onthouden en de verdachte mag
zich niet verzetten tegen de toepassing van dwangmiddelen.
d. De raadsman: de verdachte heeft recht op rechtsbijstand. 37 Sv: als
raadslieden worden slechts toegelaten in Nederland ingeschreven
advocaten. De raadsman is beoefenaar van een vrij beroep maar is wel
gebonden aan gedragsregels van de Orde van Advocaten en
tuchtrechtelijk toezicht. De raadsman is partijdig en moet uitsluitend het
belang van zijn cliënt dienen. Het overleg tussen de raadsman en de
verdachte is vertrouwelijk en valt onder het beroepsgeheim en
verschoningsrecht van de advocaat, hetgeen de rechter moet respecteren.
e. Het slachtoffer: de positie van het slachtoffer is aanzienlijk versterkt. De
ontwikkeling daarbij gaat niet zover dat het slachtoffer als procespartij kan
deelnemen aan het tegen de verdachte gevoerde strafproces. Zijn
bijzondere betrokkenheid bij dat proces wordt echter wel erkend.

2.5. Verschillen in afdoening
Er zijn in principe drie sporen te onderscheiden. Het eerste spoor is bestemd
voor zware zaken, waarin de verdachte de oplegging van een langdurige
gevangenisstraf heeft te vrezen. Deze zaken worden door de meervoudige kamer

, behandeld. Het tweede spoor komt overeen met de huidige
politierechterprocedure. In het derde spoor krijgt de buitengerechtelijke
afdoening een plaats. Aandacht verdient dat de differentiatie in procedures
betrekking heeft op de afdoening van strafzaken. Dat wil zeggen dat de
verschillen zich voordoen bij het eindonderzoek, niet bij het vooronderzoek.

2.6. Het strafproces in fasen
2.6.1. Procesfasen en de wettelijke systematiek
Het proces is in verschillende fases onderverdeeld: de opsporing, de vervolging,
de berechting in eerste aanleg en de rechtsmiddelen (hoger beroep en cassatie).
2.6.2. Opsporing
De strafvordering begint met de opsporing. De kern van het vooronderzoek
bestaat in alle gevallen uit een opsporingsonderzoek. Dat onderzoek wordt
verricht onder het gezag van de OvJ (132a Sv). De eerste titel van boek II is aan
de opsporing gewijd. Van opsporing kan worden gesproken vanaf het moment
waarop het vermoeden rijst dat een strafbaar feit is begaan (aangifte/heterdaad).
2.6.3. Vervolging
Art. 167 Sv bepaalt dat het OM zo spoedig mogelijk tot vervolging overgaat
indien het op grond van het opsporingsonderzoek van oordeel is dat die
vervolging moet plaatsvinden. Hoewel het gerechtelijk vooronderzoek is
afgeschaft, bepaald 242 Sv nog steeds dat, als het OM op grond van het
voorbereidend onderzoek van oordeel is dat verdere vervolging moet
plaatsvinden, het daartoe spoedig mogelijk overgaat. Die verdere vervolging
dient daarbij te bestaan uit het uitbrengen van een dagvaarding. Als de OvJ van
verdere vervolging afziet, dient hij de verdachte een kennisgeving van niet
verdere vervolging te betekenen (243 Sv), hetwelk een einde maakt aan de zaak
(246 Sv). Veel strafbare feiten worden aan de rechter voorgelegd, maar ook veel
worden buitengerechtelijk afgedaan, waarbij drie vormen zijn te onderscheiden.
1) strafbeschikking 2) transitie of 3) voorwaardelijk sepot indien de verdachte
zich aan de door de OvJ gestelde voorwaarden houdt.
2.6.4. Berechting in eerste aanleg
De zaak ter terechtzitting wordt aanhangig gemaakt middels een dagvaarding
(258 Sv). Het rechtsgeding duurt voort zolang de zaak aanhangig is, tot de
einduitspraak. Soms eindigt het rechtsgeding voortijdig, als de OvJ zijn
dagvaarding voor de aanvang van het onderzoek op de terechtzitting besluit in
te trekken (266 Sv). Binnen het rechtsgeding kunnen verschillende subfases
worden onderscheiden. De eerste fase is die, waarin de zaak al wel ter
terechtzitting aanhangig is, maar waarin het onderzoek op de terechtzitting nog
niet is begonnen. De volgende is het uitbrengen van de dagvaarding. De
verdachte heeft dat recht op volledige inzage in de processtukken (33 Sv). De
dagvaarding bevat de tenlastelegging. Met het uitroepen van de zaak belandt
het ‘rechtsgeding’ in de volgende fase. De behandeling van de zaak door de
rechtbank, een overkoepelend begrip voor het onderzoek ter zitting, de
beraadslaging en de einduitspraak. De verdachte mag wel aanwezig zijn, maar
dit hoeft niet. Daarnaast wordt er recht gedaan op de stukken.
Na de sluiting van het onderzoek op de terechtzitting volgt de beraadslaging en
vormt de rechtbank een oordeel over de zaak. Zij moet dat doen aan de hand
van de formele en materiële vragen van art. 348 en 350 Sv. De beraadslaging is
niet openbaar. Met de uitspraak wordt het rechtsgeding afgesloten. De uitspraak
moet steeds in een openbare zitting worden gedaan waarbij meestal het dictum
wordt voorgelezen.
2.6.5. Hoger beroep en cassatie
Met de einduitspraak in eerste aanleg komt niet direct een einde aan de zaak.
Het vonnis is namelijk nog vatbaar voor beroep, hetwelk zowel de verdachte als
$19.55
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached


Also available in package deal

Reviews from verified buyers

Showing all reviews
6 months ago

4.0

1 reviews

5
0
4
1
3
0
2
0
1
0
Trustworthy reviews on Stuvia

All reviews are made by real Stuvia users after verified purchases.

Get to know the seller

Seller avatar
Reputation scores are based on the amount of documents a seller has sold for a fee and the reviews they have received for those documents. There are three levels: Bronze, Silver and Gold. The better the reputation, the more your can rely on the quality of the sellers work.
JoostJansenOU Open Universiteit
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
19
Member since
8 months
Number of followers
0
Documents
10
Last sold
1 month ago

2.5

2 reviews

5
0
4
1
3
0
2
0
1
1

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions