een polycrisis Verschillende negatieve ontwikkelingen versterken elkaar.
de future shock Te veel verandering op te korte tijd leidt tot angst en frustratie bij een
grote groep mensen
streaming Geen nieuw medium, mr biedt producenten van tv en andere
audiovisuele content een alternatief om deze content te verdelen.
de gouden periode van Begon in de jaren ’50 en ’60, toen tv razendsnel populair werd en
tv uitgroeide tot het belangrijkste medium voor informatie en
entertainment. Mensen kwamen samen rond de tv voor nieuws, shows
en series. Het was een tijd waarin televisie echt een verbindende kracht
had in de samenleving.
Vandaag de dag is dat veranderd: we leven nu in het tijdperk van
digitale media en streamingdiensten zoals Netflix, YouTube en TikTok.
Hoewel tv nog steeds bestaat, kijken veel mensen nu on demand
(wanneer ze willen) en vaak op smartphones of laptops in plaats van op
de klassieke tv. De macht en invloed die tv toen had, is nu verschoven
naar het internet en sociale media. Toch blijven veel tv-programma’s,
formats en ideeën uit die gouden periode invloedrijk – ze worden nu
alleen in een nieuwe vorm aangeboden.
(+ HD 12: sinds de eeuwwisseling leven we in een gouden tijdsperk van
tv. Nooit was zoveel hoogwaardige tv-content voor de consument
beschikbaar: kwantiteit gekoppeld aan kwaliteit.
mediamorphosis Een proces waarbij oude en nieuwe mediatechnologie eerst naast
elkaar bestaan en langzamerhand met elkaar verweven raken, eerder
dan elkaar vervangen.
wetenschap vd = andere naam voor economie …
schaarste Media-economie focust zich met andere woorden op hoe
mediabedrijven hun schaarse middelen op efficiënte wijze aanwenden
om aan de vraag nr mediaproducten tegemoet te komen
productiefactoren 1. Arbeid: = people business: aantrekken van creatief talent
2. Grondstoffen: materiële en immateriële
3. Kapitaal: eigenaars, beursgang of externe financiers
het spel van vraag en De prijs van deze productiefactoren komt hierdoor tot stand. Deze
aanbod wisselwerking tss aanbieders en consumenten is 1 vd meest
fundamentele principes v/e vrijemarkteconomie. Prijs v/e goed wordt
bepaald wnr vraag en aanbod in evenwicht zijn. Dat evenwicht is echter
altijd in beweging!
micro-economie Media-economie valt vooral hieronder. Focus op vraag en aanbod tss
individuele actoren (bedrijven, overheden en consumenten)
macro-economie Bestudeert het gehele economische systeem, met bijzondere focus op
economische groei, tewerkstelling, inflatie of import/export. Focus op
het ruimere economische plaatje (de wereldwijde economie = gehele
economische omgeving)
neoklassieke theorie winstmaximalisatie = ultieme doel
zie slide/sv/boek p 24
opportuniteitskosten Omdat productiefactoren op verschillende manieren kunnen worden
ingezet, maken ondernemingen voortdurend rationele keuzes met als
doel een optimale uitkomst te bekomen…
, MAAR kiezen is verliezen:
Bij elke keuze offer je immers een alternatief op
-> dat alternatief = de opportuniteitskosten
marktfalen Wnr de markt onvoldoende werkt en er nt in slaagt de beste uitkomst
te creëren -> vervolgens vaak tsskomst vd overheid
transactiekostentheorie Zie slide/sv/boek p 26
transactiekosten Kosten die nodig zijn om de transactie uit te voeren zoals bv
informatiekosten of bv contractkosten
-> vooral bij seriële producties
coördinatiekosten Kosten om het werk te organiseren en op te volgen zoals directeur
lonen of communicatiekosten
de agency-theorie Het principaal-agent probleem:
Tegengestelde belangen tss bv eigenaars (aandeelhouders) en
managers
Zie slide/sv/boek p28
culturele goederen Ze hebben een symbolische inhoud, nt louter een commerciële waarde:
mediaconsumenten ervaren een artistieke creatieve waarde bij hun
gebruik. Ze vormen een enorme verrijking voor de culturele ruimte.
<-> met de neoklas theorie
Mr media ook 4de macht/ waakhond vd democratie (nieuwsmedia)
publiek goed 2 belangrijke kenm zijn: nt-rivaliserend en nt-uitsluitbaar
niet-rivaliserend Het product is nog steeds beschikbaar ookal heeft ander het
geconsumeerd … (bv koekje nt want op is op) media wel want je
toegang tot netflix wo nt geweigerd als iemand anders al aant kijken is.
niet-uitsluitbaar Je kan consumptie nt verbieden ookal betaald iemand er nie voor (bv
straatverlichting gebruiken ookal zou je gn belasting betalen) ->
belangrijk deel van de media eigl gn publiek goed meer want door
evolutie van bv netflix account/betaling … dan wel toegang kunnen
ontzeggen
Een clubgoed Goederen die niet-rivaliserend mr wel uitsluitbaar zijn.
= Je moet ervoor betalen of lid zijn, maar het gebruik ervan door de ene
persoon beperkt niet het gebruik door een andere.
bv: pretpark-ticket, netflix-abo, lidgeld sportclub, …
Tweezijdige markt Iets gratis doen zodat je veel mensen lokt … eenmaal je veel mensen
hebt kun je al hun oogballen verkopen aan adverteerders
eyeballs Geaggregeerde aandacht aan adverteerders verkopen
= vaak betaalt het publiek gwn met hun aandacht …
duale producten gratis aan ons verkocht en dan aan adverteerders
duale omroepmarkt publiek en privaat
verzuiling iedereen doet zen eigen ding (typisch voor België)
Vanaf jaren 80: commercialisering en ontzuiling
= minder afh van politiek, meer vd markt (reclame en lezersgraad)
klavertje vijf vd vlaamse Voor de aggregatie van klassieke mediaproducten blijft 80 tot 100% van
media de markt in handen van slechts vijf mediagroepen: VRT, DPG Media,
Mediahuis, Roularta Media Group en Play Media. DPG Media is als
enige actief in alle mediaproducten en ontpopt zich als toonbeeld van
een crossmediale mediagroep.
aandachtseconomie Media = aandacht economie
Media vergt veel van onze tijd
Uitdaging mediabedrijven: hoe krijgen ze zoveel mogelijk van die
aandacht nr hun = veel concurrentie
,ervaringsgoederen Pas na de consumptie weet je of het het waard is (bv zoals
voetbalmatch of zoals restaurant ‘je moet daar echt eens gaan eten’)
nobody really knows - Niemand weet hoe de consument gaat reageren, dus er is een grote
principe onzekerheid aan de vraagzijde
-> aanbieders moeten grote (financiële) risico’s nemen
vastekostenindustrie = de media-economie (zie verder)
een mediamarkt Een abstracte plaats waarop aanbieders en afnemers mediaproducten
tegen een afgesproken prijs verhandelen.
Verschillende types:
1) Mediacontent: elk gekenmerkt door eigen kosten- en
inkomstenstructuur, bv krantenmarkt, tvmarkt,… -> door
digitalisering wel steeds sterker met elkaar verweven =
convergentie
2) Geografie: mediamarkten onderscheiden zich op basis van
geografische locaties waarop mediabedrijven hun activiteiten
uitoefenen.
-> marktgrootte van belang: invloed op de hoeveelheid geld en
andere middelen die beschikbaar zijn in de markt.
-> bedrijven in kleinere markten in sterkere mate afh van
publieke financiering of subsidies. (grotere genieten v/e
voordeligere kostenstructuur)
vaste/constante kosten Kosten die niet wijzigen naarmate er meer of minder producten worden
geproduceerd (of geconsumeerd)
bv: huur bedrijfsgebouw
-> gemiddelde kost kan dalen naarmate er meer productie is.
Berekening: vaste kosten delen door het aantal geproduceerde
/geconsumeerde producten
variabele kosten Kosten die wijzigen naarmate er meer of minder producten worden
geproduceerd (of geconsumeerd)
bv: grondstoffen, energiekosten, verzendkosten, serverkosten, …
-> doorgaans lager dan de vaste en stijgen dus mee met productie
-> wel afh van de aard vd distributie: fysieke distributie = hogere
variabele kosten
marginale Kosten voor de productie (of consumptie) van één extra eenheid
kosten/grenskosten -> Zijn typisch eerder laag, houden verband met variabele kosten (je
moet extra materiaal kopen) -> dus opnieuw hogere kosten bij fysieke
distributie
De MK van 1 extra luisteraar (dus enkel digitaal gedistribueerd) kun je
bijna verwaarlozen
first-copykost Kost die gepaard gaat met het maken van dat eerste exemplaar.
= vrij hoog mr varieert per medium/ type content bv: Film vs flair
boekje
schaalvoordeel Om zoveel mogelijk de kosten te spreiden om lagere gemiddelde vaste
kosten te hebben. Mediabedrijven op zoek naar uitbreiding schaal
(volume). Wanneer interessant ?
-> Zolang marginale kost (MK) < gemiddelde vaste kosten (en zolang
gemiddelde kosten ↓ bij uitbreiding vh productievolume), dan is het
interessant schaal te vergroten = efficiëntie
-> Grote bedrijven kunnen hun productiefactoren efficiënter inzetten
dan kleinere
, schaalnadeel Soms bedrijf ook te groot, teveel vaste kosten die wegen op het totale
budget waardoor gemiddelde vaste kost nt nr beneden gaat.
Dus als de gemiddelde kosten v/e bedrijf toenemen bij het vergroten vh
productievolume
marktvorm/structuur De concurrentiële omstandigheden waarin bedrijven opereren en
bepalen in belangrijke mate hoe een bedrijf efficiënt zijn beperkte
middelen inzet en de winst maximaliseert.
industriële economie Een neoklassieke benadering die het strategische gedrag van bedrijven
door de structuur vd markt probeert te verklaren.
een markt Het geheel van aanbieders (verkopers) en afnemers (kopers) die al dan
nt tegen betaling goederen, diensten en informatie uitwisselen.
Marktvorm wordt bepaald door 4 kenmerken:
- aantal marktspelers:
Monopolie = 1 aanbieder
Duopolie = 2 aanbieders
Oligopolie = enkele grote aanbieders
Polypolie = veel aanbieders
Monopsonie = 1 afnemer
Duopsonie = 2 afnemers
Oligopsonie = enkele grote afnemers
Polypsonie = veel afnemers
- type producten/productdifferentiatie
- toetredingsdrempels
- marktmacht
bilateraal monopolie Wnr er slechts 1 partij aan zowel de aanbod- als aan de vraagzijde is.
Dan wenden beide monopolisten hun onderhandelingsmacht aan om
hun winst te maximaliseren
homogene producten Gelijkaardige producten -> aanbieders concurreren op basis vd laagste
prijs om kopers aan te trekken = prijsconcurrentie
Bv: benzine, je gaat tanken bij de goedkoopste want is toch allemaal
hetzelfde
heterogene producten Producten wel uniek -> ene kan kwalitatiever/duurzamer zijn dan
andere = de productkenm spelen dus grotere rol dan de prijs.
Premiumprijs = we betalen liever iets meer als het beter is
Bv: mediaproducten zijn vaak via hun content gedifferentieerd zodat
mediabedrijven op basis van aanbod, kwaliteit, merkbeleving
concurreren.
marktmacht Een bedrijf heeft dit als het zich onafh van andere marktspelers kan
gedragen en voldoende invloed bezit om de prijs en andere
(ver)koopvw te bepalen.
= in welke mate kan aanbieder zelf bepalen tegen welke waarde
producten worden verkocht
Aanbieder met marktmacht = een prijszetter (en geen prijsnemer)