(2017)
Om te beoordelen of een interventie werkt voor een specifieke cliënt, zijn gerandomiseerde
gecontroleerde onderzoeken niet geschikt, maar enkelvoudige casusmethoden wel. Er zijn drie
basiscategorieën binnen single-case research:
Casestudies: Kwalitatieve, beschrijvende verslagen zonder kwantitatieve gegevens.
Single case kwantitatieve analyses: Kwantitatieve gegevens zonder manipulatie van
variabelen, waarbij individuele verandering na de behandeling wordt gevolgd.
Single case experimenten: Kwantitatieve gegevens met directe manipulatie van de
interventie, waardoor conclusies over de behandelimpact mogelijk zijn.
Meetmethoden:
1. Standard measures: Gestandaardiseerde tests met normatieve gegevens, gebruikt bij de
nulmeting en na de behandeling om betekenisvolle scoreveranderingen te beoordelen.
2. Target measures: Vertegenwoordigen de specifieke klachten van een individu, zoals
gedragingen of symptomen (bijv. ‘Ik voel de drang om het gasfornuis te controleren’), in
plaats van algemene constructen. Deze idiografische maten worden gebruikt om te
beoordelen of veranderingen door de behandeling komen of door andere factoren zoals tijd
of externe gebeurtenissen.
3. Process measures: Kunnen op elk moment in een studie worden afgenomen. Ze variëren in
scope en type meting en kunnen zowel gestandaardiseerde als target measures omvatten.
Validiteit:
Interne validiteit verwijst naar factoren in het onderzoeksontwerp die alternatieve
verklaringen voor de resultaten kunnen bieden, waardoor geen conclusie kan worden
getrokken dat de interventie de verandering heeft veroorzaakt. Bedreigingen zijn onder
andere:
o Rijping (maturation): Veranderingen binnen het individu over tijd, zoals spontane
remissie.
o Geschiedenis: Externe gebeurtenissen die het doelprobleem beïnvloeden en
therapie-effecten nabootsen.
o Testeffecten: Effecten van herhaalde metingen.
o Instrumentatie: Veranderingen in meetmethoden, zoals verschuivingen in scoring
(observer drift) of zelfrapportage.
o Statistische regressie: Extreem hoge of lage scores die bij hertesting naar het
gemiddelde neigen.
o Reactieve interventie: Veranderingen door externe gebeurtenissen in plaats van
door de behandeling, zoals een relatieconflict.
o Diffusie van behandeling: Carry-over van behandel-effecten naar niet-
behandelfasen, vooral in ABAB-ontwerpen.
o Analytische validiteit: Moeilijkheden bij het analyseren van gegevens uit kleine
steekproeven die statistische aannames kunnen schenden.
, Constructvaliditeit verwijst naar de mate waarin een meting het theoretische concept
accuraat vertegenwoordigt. Meet je wat je wilt meten?
Externe validiteit verwijst naar de mate waarin de resultaten van een studie kunnen worden
gegeneraliseerd naar andere deelnemers, therapeuten en settings (bijv. verschillende
klinieken).
o Populatievaliditeit beoordeelt voor welke populaties en welke individuen de
procedure werkt.
o Ecologische validiteit beoordeelt in hoeverre de bevindingen kunnen worden
gerepliceerd met andere therapeuten, settings en meetmethoden.
o Manipulatievaliditeit beoordeelt of conceptueel vergelijkbare interventies hetzelfde
effect zullen hebben.
Eenvoudige vragen over behandeluitkomst:
Gaat het beter met de cliënt? → Vergelijk pre- en postinterventiemetingen.
Is de behandeling effectief? → Meet herhaaldelijk voor en tijdens de behandeling.
Waarom gaat het beter met de cliënt? → Gebruik experimentele ontwerpen (bijv.
afwisselende behandelingen) om verschillende behandelingselementen te vergelijken.
Zal deze behandeling voor anderen werken? → Repliceer met andere cliënten en
therapeuten.
The abridged version of case study research
– Yin (1998)
Onderdelen van een casestudy:
Omgaan met verschillende soorten bewijs (documentatie, archieven, interviews, observatie,
fysieke artefacten)
Triangulatie: zoeken naar convergerende bewijslijnen
Definieer onderzoeksvragen duidelijk, ze moeten verklaren hoe en waarom gebeurtenissen
plaatsvinden
Baseer het onderzoek op een leidende theorie en overweeg rivaliserende verklaringen
Maak onderscheid tussen verschillende soorten casestudies:
o Verklarend: Geeft antwoord op hoe of waarom vragen
o Beschrijvend: Beschrijft het doel en de reikwijdte van een fenomeen
o Verkennend: Onderzoekt nieuwe onderwerpen met onduidelijk voorafgaand
onderzoek
Een onderzoeksontwerp is een actieplan om van hier naar daar te komen.
Definieer je analyse-eenheid of -eenheden: De groep, de beslissing, het programma of de
verandering. Er is niet altijd een duidelijke grens tussen de casus (fenomeen) en de context.
Holistische casestudies hebben één hoofdeenheid van analyse, embedded casestudies
hebben subeenheden binnen een hoofdeenheid.
Onderscheid maken tussen enkelvoudige en meervoudige casestudies: Over één of meer
cases.
Generaliseren uit enkelvoudige casestudies: Geen kwestie van statistische generalisatie (van
steekproef naar een universum), maar een kwestie van analytische generalisatie (gebruik van
, enkelvoudige of meervoudige casussen om een theorie te illustreren, te representeren of te
generaliseren).
Replicatielogica voor meervoudige casestudies: De analytische generalisaties versterken of
verbreden
Het aantal cases in een meervoudige casestudie bepalen: Hangt af van de zekerheid die je
wilt hebben over je resultaten van een meervoudige casestudie
Vier soorten basisonderzoeksontwerpen: single-case en multiple-case ontwerpen kunnen
zowel holistisch als embedded zijn (2x2 model)
Beoordeel voortdurend de kwaliteit van je casestudieontwerp:
o Constructvaliditeit: Gebruik meerdere bronnen van bewijs, stel een bewijsketen op,
laat sleutelinformanten het conceptrapport van de casestudie beoordelen.
o Interne validiteit: Doe aan patroonmatching, uitleg, tijdreeksanalyse en logische
modellen.
o Externe validiteit: Gebruik rivaliserende theorieën binnen enkele casussen en
replicatielogica in meerdere casestudies.
o Betrouwbaarheid: Gebruik casestudieprotocol en ontwikkel casestudiedatabase.
Ter voorbereiding op het verzamelen van casestudiedata moet je de gewenste
onderzoeksvaardigheden ontwikkelen: vragen stellen, luisteren, aanpassingsvermogen en flexibiliteit,
begrip van de kwesties die worden bestudeerd.
Rob: Children’s tacit use of peer ostracism to
control aggressive behavior – Barner-Barry
(1986)
In deze casestudie deed Rob vaak andere kinderen pijn op het schoolplein, waardoor zijn klasgenoten
hem uitsloten omdat hij agressief was. Dit laat zien hoe mensen schadelijk gedrag onder controle
houden door sociale normen. Wetten doen hetzelfde door schadelijke handelingen te definiëren en
te voorkomen om de orde te bewaren. De casestudie illustreert een theoretisch concept.
Hoorcollege 1
Een case study beantwoordt hoe en waarom vragen, je hoeft geen controle te hebben over condities
en gaat over zaken die nu spelen. Het is een specifieke zaak. Multiple case studies onderzoeken
meerdere zaken.
Kwaliteit bewaken bij een case study:
Constructvaliditeit: meerdere bronnen die leiden tot dezelfde conclusie (triangulatie)
Interne validiteit: komt observatie overeen met theorie?
Externe validiteit: replicatie
Betrouwbaarheid: precies alle stappen doorlopen
Eigenschap case study: direct generaliseren naar de theorie, geen manipulatie
Soorten case studies:
Exploratief: gaandeweg theorie ontwikkeling
Verklarend: theorie toetsen