Kijk ook naar de samenvatting van de begrippen!, "Stuvia-6282539-
mb0116-242512b-snelle-samenvatting-voor-de-premaster-in-
onderzoeksmethoden-leer-door-begrippen”.
Na de vragen volgen de antwoorden.
1. Wat is het voornaamste doel van fundamenteel onderzoek?
a) Het oplossen van praktische problemen.
b) Theorieontwikkeling zonder directe praktische toepassing.
c) Het creëren van commerciële waarde.
d) Het verbeteren van maatschappelijke waarde.
2. Wat wordt verstaan onder valorisatie?
a) Het systematisch uitvoeren van onderzoek.
b) Het analyseren van kwalitatieve data.
c) Het omzetten van onderzoeksresultaten in commerciële of
maatschappelijke waarde.
d) Het identificeren van gaten in bestaande kennis.
3. Wat is onderzoeksmethodologie?
a) De fasering van een onderzoeksproces.
b) De systematische aanpak voor het uitvoeren van onderzoek.
c) Het gebruik van statistische analyses.
d) Het schrijven van een onderzoeksrapport.
4. Welk onderdeel behoort tot de introductie van een artikel?
a) Dataverzameling.
b) Probleemstelling.
c) Conclusie.
d) Discussie.
5. Wat is neglect spotting?
a) Het identificeren van tegenstrijdige resultaten.
b) Een gebied dat nog niet is onderzocht.
c) Het toepassen van theoretische kennis in de praktijk.
d) Het analyseren van numerieke gegevens.
,6. Wat is de redeneervorm modus ponens?
a) Als B niet waar is, dan is A ook niet waar.
b) Als A waar is, dan volgt B.
c) Het ontkennen van de antecedens.
d) Het bevestigen van de consequens.
7. Wat is kenmerkend voor kwalitatief onderzoek?
a) Nadruk op cijfers en statistische analyses.
b) Nadruk op diepgaande, beschrijvende gegevens.
c) Combinatie van kwantitatieve en kwalitatieve methoden.
d) Manipulatie van variabelen.
8. Wat is een experiment?
a) Onderzoek met vragenlijsten.
b) Diepgaand onderzoek naar één casus.
c) Onderzoek waarbij de onderzoeker variabelen manipuleert.
d) Onderzoek zonder dataverzameling.
9. Wat is interne validiteit?
a) De mate waarin resultaten generaliseerbaar zijn.
b) De consistentie van de meetresultaten over tijd.
c) De mate waarin een onderzoek daadwerkelijk meet wat het moet
meten.
d) Het vermijden van systematische fouten.
10. Wat is bias?
a) Willekeurige fouten veroorzaakt door deelnemers.
b) Systematische fouten, vaak veroorzaakt door de onderzoeker.
c) De consistentie van meetresultaten.
d) Het verbeteren van betrouwbaarheid.
11. Wat is triangulatie?
a) Het gebruik van één methode om resultaten te analyseren.
b) Het gebruik van meerdere methoden of bronnen om de
betrouwbaarheid van resultaten te verbeteren.
c) Het negeren van tegenstrijdige gegevens.
d) Het vermijden van fouten.
12. Wat is inductie?
, a) Redeneren van algemene principes naar specifieke gevallen.
b) Redeneren van specifieke gevallen naar algemene conclusies.
c) Het vaststellen van oorzaak-gevolgrelaties.
d) Het meten van statistische verbanden.
13. Wat is causaliteit?
a) Een statistisch verband tussen twee variabelen.
b) Meerdere oorzaken die bijdragen aan een effect.
c) Oorzaak-gevolgrelatie.
d) Het ontbreken van een verband.
14. Wat is een belangrijk kenmerk van een goed
onderzoeksonderwerp?
a) Complexiteit.
b) Onhaalbaarheid.
c) Geschiktheid.
d) Populariteit.
15. Wat houdt de Goldilocks-test in?
a) Een test om te beoordelen of een onderzoeksvraag te complex is.
b) Een test om te beoordelen of een onderzoeksvraag niet te breed of te
smal is, maar precies goed.
c) Een test om te beoordelen of een onderzoeksvraag al eerder is
onderzocht.
d) Een test om te beoordelen of een onderzoeksvraag relevant is voor de
praktijk.
16. Wat is het verschil tussen een deductieve en inductieve
benadering?
a) Deductie begint met waarnemingen en ontwikkelt een theorie, inductie
begint met een theorie en zoekt bevestiging via onderzoek.
b) Deductie begint met een theorie en zoekt bevestiging via onderzoek,
inductie begint met waarnemingen en ontwikkelt een theorie.
c) Deductie gebruikt kwalitatieve data, inductie gebruikt kwantitatieve
data.
d) Deductie is subjectief, inductie is objectief.
17. Wat zijn grand theories?
a) Specifieke theorieën.
b) Theorieën van gemiddeld bereik.