HOOFDSTUK 2 HET SKELET
TOPOGRAFIE
Naam Richting
Ventraal Buikzijde
Dorsaal Rugzijde
Mediaal Naar het midden toe
Lateraal Zijdelings
Craniaal Aan kant van schedel (=superior)
Caudaal Aan kant van staartbeen (=inferior)
Proximaal Dicht bij romp, oorsprong
Distaal Van romp af, naar eind toe
Algemene inleiding skelet
Functies skelet:
Stevigheid aan het lichaam geven
Beschermen van organen
Aanhechtingsplaats van pezen en skeletspieren
Biedt bewegingsmogelijkheden
Rode beenmerg van platte beenderen worden bloedcellen gevormd
Opslagplaats voor kalkzouten calcium en fosfaat
Beenderen en gewrichten passieve bewegingsapparaat
Skeletspieren actieve bewegingsapparaat
1. Cranium (schedel)
2. Cervicale wervel (halswervel)
3. Clavicula (sleutelbeen)
4. Scapula (schouderblad)
5. Sternum (borstbeen)
6. Costa (rib)
7. Thoracale wervel (Borstwervels)
8. Humerus (opperarmbeen)
9. Ulna (ellepijp)
10. Radius (spaakbeen)
11. Ossa carpalia (handwortelbeentjes)
12. Ossa metacarpalia (middenhandsbeentjes)
13. Falangen (vingerkootjes)
14. Lumbale wervels (lendenwervels)
15. Os coxa (heupbeen)
16. Os sacrum (heilighbeen)
17. Os coccygis (staartbeen)
18. Os pubis (schaambeen)
19. Os ischii (zitbeen)
20. Femur (dijbeen)
21. Patella (knieschijf)
22. Tibia (scheenbeen)
23. Fibula (kuitbeen)
24. Ossa tarsalia (voetwortelbeentjes)
25. Ossa metatarsalia (middenvoetsbeentjes)
26. Falangen (teenkootjes)
KRAAKBEEN EN BOT
Kraakbeen
Kraakbeencellen
, Tussencelstof geen kalkzouten maar taaie elastische massa stevig en elastisch
Vrijwel geen stofwisseling
Niet gevoed door bloedvaten maar omringend bindweefsel
3 typen kraakbeen:
- Hyalien:
o Bekleding gewrichtsvlakken op boteinden
o Zeer glad glijvlak
- Elastisch:
o Geeft vorm aan oorschelpen en neus
o Elastische vezels buigzaamheid en elasticiteit
- Vezelig:
o Waar kraakbeen aan druk onderhevig is
o Tussenwervelschijven en knieschijven
o Vezelige structuur
Bij geboorte vrijwel volledig kraakbeen wordt omgezet naar bot.
Bot
Cellen en tussencelstof
Intensieve stofwisseling
Kalkzouten calcium en fosfaat geven stevigheid
Osteoclasten breken beenweefsel af
Osteoblasten bouwen beenweefsel op
3 soorten beenderen indeling op basis van vorm:
- Pijpbeenderen:
o Diafyse lange middenstuk met hierin rood of geel beenmerg (oudere leeftijd meer
geel)
o Epifyse
o Epifysaire schijven/groeischijven
o Groeien vooral in lengte
- Platte beenderen:
o Lang en plat
o Geheel of gedeeltelijk gevuld met rood beenmerg (door bloedvormende cellen)
o Groei meestal in twee richtingen
o Scapula, rib en borstbeen
- Onregelmatige beenderen:
o Uitsluitend rood beenmerg
o Groei in drie richtingen
o Handwortelbeentjes en wervels
1= Gewrichtsvlak
2= Epifysaire schijf
3= Periost (beenvlies)
4= Schors
5= Spongiosa
TOPOGRAFIE
Naam Richting
Ventraal Buikzijde
Dorsaal Rugzijde
Mediaal Naar het midden toe
Lateraal Zijdelings
Craniaal Aan kant van schedel (=superior)
Caudaal Aan kant van staartbeen (=inferior)
Proximaal Dicht bij romp, oorsprong
Distaal Van romp af, naar eind toe
Algemene inleiding skelet
Functies skelet:
Stevigheid aan het lichaam geven
Beschermen van organen
Aanhechtingsplaats van pezen en skeletspieren
Biedt bewegingsmogelijkheden
Rode beenmerg van platte beenderen worden bloedcellen gevormd
Opslagplaats voor kalkzouten calcium en fosfaat
Beenderen en gewrichten passieve bewegingsapparaat
Skeletspieren actieve bewegingsapparaat
1. Cranium (schedel)
2. Cervicale wervel (halswervel)
3. Clavicula (sleutelbeen)
4. Scapula (schouderblad)
5. Sternum (borstbeen)
6. Costa (rib)
7. Thoracale wervel (Borstwervels)
8. Humerus (opperarmbeen)
9. Ulna (ellepijp)
10. Radius (spaakbeen)
11. Ossa carpalia (handwortelbeentjes)
12. Ossa metacarpalia (middenhandsbeentjes)
13. Falangen (vingerkootjes)
14. Lumbale wervels (lendenwervels)
15. Os coxa (heupbeen)
16. Os sacrum (heilighbeen)
17. Os coccygis (staartbeen)
18. Os pubis (schaambeen)
19. Os ischii (zitbeen)
20. Femur (dijbeen)
21. Patella (knieschijf)
22. Tibia (scheenbeen)
23. Fibula (kuitbeen)
24. Ossa tarsalia (voetwortelbeentjes)
25. Ossa metatarsalia (middenvoetsbeentjes)
26. Falangen (teenkootjes)
KRAAKBEEN EN BOT
Kraakbeen
Kraakbeencellen
, Tussencelstof geen kalkzouten maar taaie elastische massa stevig en elastisch
Vrijwel geen stofwisseling
Niet gevoed door bloedvaten maar omringend bindweefsel
3 typen kraakbeen:
- Hyalien:
o Bekleding gewrichtsvlakken op boteinden
o Zeer glad glijvlak
- Elastisch:
o Geeft vorm aan oorschelpen en neus
o Elastische vezels buigzaamheid en elasticiteit
- Vezelig:
o Waar kraakbeen aan druk onderhevig is
o Tussenwervelschijven en knieschijven
o Vezelige structuur
Bij geboorte vrijwel volledig kraakbeen wordt omgezet naar bot.
Bot
Cellen en tussencelstof
Intensieve stofwisseling
Kalkzouten calcium en fosfaat geven stevigheid
Osteoclasten breken beenweefsel af
Osteoblasten bouwen beenweefsel op
3 soorten beenderen indeling op basis van vorm:
- Pijpbeenderen:
o Diafyse lange middenstuk met hierin rood of geel beenmerg (oudere leeftijd meer
geel)
o Epifyse
o Epifysaire schijven/groeischijven
o Groeien vooral in lengte
- Platte beenderen:
o Lang en plat
o Geheel of gedeeltelijk gevuld met rood beenmerg (door bloedvormende cellen)
o Groei meestal in twee richtingen
o Scapula, rib en borstbeen
- Onregelmatige beenderen:
o Uitsluitend rood beenmerg
o Groei in drie richtingen
o Handwortelbeentjes en wervels
1= Gewrichtsvlak
2= Epifysaire schijf
3= Periost (beenvlies)
4= Schors
5= Spongiosa