De Republiek
De Nederlanden in de tijd voor Karel V
Sinds 925 hoorden de Nederlanden tot het Duitse rijk. Pas in de 14 e en 15e eeuw tekenden de
Nederlanden zich min of meer als een politeke eenheid af. Dit kwam door de stedengroei sinds de
12e eeuw en het streven van de hertogen van Bourgondië les Pays Bas in hun bezit te krijgen.
Versterking positie van ee steeen vanaf de 12e eeuw zete zich door in de 15e en 16e eeuw:
Door de gunstige ligging (waterwegen) ontstond een druk handelsverkeer.
Door het haneelsverkeer (aanvoer grondstofen) nam de nijverheie toe.
Meer samenwerking tussen steden (haneelsverbone de Hanze).
Dankzij hun toenemende welvaart slaagden steeen erin hun positie t.o.v. hun heer te versterken. Zij
kregen bv. privileges in ruil voor belastng. Wie de Nederlanden in bezit had, bezat tevens het meest
verstedelijkte deel van Noord-Europa, het kruispunt van de handelsroutes en een enorme
belastngopbrengst. Hertogen van Bourgondië gingen er daarom naar streven de Nederlanden in hun
bezit te krijgen. Vooral hertog Filips ee Goeee had hierbij succes. De gewesten (en vooral de steden
door hun stadsrechten) waren tot dan toe in grote mate zelfstandig t.o.v. hun heer.
Filips de Goede ging een bewust centralisatieplan voeren om van al die gewesten een eenheid te
maken en daardoor zelf meer macht te krijgen. In de meeste gewesten waren in de 14 e eeuw
Gewestelijke Staten ontstaan die de heer al dan niet belastngen toekenden. Filips de Goede
centraliseerde deze in één gezamenlijke vergadering: de Staten-Generaal.
Het bestuur van de Republiek der Verenigde Nederlanden
De Republiek was een bond van 7 zelfstaneige gewesten. De samenwerking werd geregeld door de
Staten-Generaal, waarin het arme en dunbevolkte Drenthe geen zitng had. Belangrijke besluiten
moesten worden genomen met algemene stemmen (vetorecht)→ veel onderhandelingen. De
Staten-Generaal bestuurden ook de in de zuidelijke gewesten veroverde gebieden: de
Generaliteitslaneen.
De machtgste man in de Staten-Generaal was de lanesaevocaat (raadspensionaris) van Holland die
Holland ook leidde. Doordat Holland 58% van de belastngen betaalde, gaf de stem van Hollane
meestal de eoorslag.
Het oppergezag in ieder gewest beruste bij de Gewestelijke Staten. Hierin waren de steden
vertegenwoordigd en in sommige (oostelijke) gewesten ook de adel. De regenten bestuurden de
steden en hadden zitng in de Gewestelijke Staten en de Staten-Generaal. Ze waren calvinistsch en
behoorden tot 2 bevolkingsgroepen: de eeelen (woonden op landgoederen op het plateland) en de
rijke burgers (woonden in de steden). De staehoueers voerden het bevel over de (Staatse) legers
van de gewesten. Van sommige steden benoemden zij ook de stadsbestuurders. Zelf werden zij door
de Gewestelijke Staten benoemd. In de praktjk waren het altjd leden van het Huis van Oranje. Hun
, bevoegdheden waren niet duidelijk vastgelegd. Dat leidde soms tot conflicten met de Gewestelijke
Staten of de landsadvocaat.
In de loop van de Opstand werden de gezamenlijke verantwooreelijkheeen van de gewesten
uitgebreie. Twee voorbeelden daarvan:
De Staten-Generaal gaven de VOC een monopolie op de handel met Azië en voerden samen
het beheer over de Generaliteitslanden.
Tijdens het Twaalfarig Bestand nam de religieuze en politieke vereeeleheie in de Republiek
toe. De Staten-Generaal grepen toen in ten voordele van stadhouder Maurits. Landsadvocaat
Oldenbarnevelt werd in 1619 geëxecuteere.
1 De Christelijke Kerk in West-Europa valt uiteen
In 1568 begon in de Nederlanden een opstane tegen Spanje. De opstand begon als meningsverschil
over de manier waarop de overheid moest reageren op aanhangers van het protestantisme onder
een minderheid van de bevolking in de Nederlanden. Filips II en later Karel V hadden de macht.
Een verschil over het geloof leidde aan het begin van de 16 e eeuw tot een scheuring binnen de
Christelijke Kerk. Sommige critci vonden dat de Kerk de Bijbel anders uitlegde dan volgens hen voor
de hand lag en dat de Kerk er gebruiken op na hield die nergens in de Bijbel terug te vinden waren.
Hervormers (beweging = Hervorming of Reformate) besloten zich van de Kerk af te scheiden en een
nieuwe Kerk te stchten of zich daarbij aan te sluiten. Die nieuwe Kerk wordt protestants genoemd.
Luther en Calvijn waren de hervormers met de grootste aanhang.
Kritiekpunten op de oude Kerk van Luther:
Machtsaanspraken en zelfgemaakte weten en regels van de Kerk waren onterecht.
Alleen de Bijbel was richtnggevend. Iedereen moest die zelf kunnen lezen.
Je kwam niet in de Hemel door afaten, maar door in God te geloven.
Het pausschap, celibaat, sacramenten, heiligenverering en kloosterorden moesten worden
afgeschaf, omdat daarover niets in de Bijbel stond.
Bij de Vrede van Augsburg in 1555 werd afgesproken dat de vorst het geloof van de onderdanen
bepaalde.
Verschillen lutheranen en calvinisten:
Lutheranen: vorst is hoofd van de kerk. Calvinisten: iedere ‘gemeente’ bestuurt zichzelf door
een raad van oueerlingen.
Anders dan de lutheranen mogen calvinisten mogen in verzet tegen hun vorst komen, als
deze handelt tegen Gods gebod.
2 De Opstand in de Nederlanden breekt uit
Twee ineirecte oorzaken voor het ontstaan van de Opstand waren:
De sterke positie van de steeelijke burgerij in de Nederlanden.
De splitsing van de Christelijke Kerk door de Hervorming.
Twee eirecte oorzaken voor het ontstaan van de Opstand waren:
Karel V en Filips II gaan protestanten streng vervolgen (met Bloeeplakkaten).
Karel V en Filips II streven naar centralisatie en ongeeaan maken van privileges.