Modelantwoorden, zie voor de antwoorden op de andere versies de transponeringstabel op p. 2
Naam: ……………………………………………………………………………...
Studentnummer:…………………………………………………………………..
TENTAMEN Inleiding in de Rechtswetenschap
Vrijdag 25 oktober 2013, 08:45 – 11:15 uur
LEES DIT EERST!
Het tentamen bestaat uit in totaal 30 multiple-choicevragen en 1 open vraag, bestaande uit vier
subvragen.
Dit formulier bevat inclusief het voorblad 13 pagina's. Op de laatste pagina’s is er ruimte om de
antwoorden op de open vragen op te schrijven.
Voor de beantwoording van de multiple-choicevragen krijgt u een mc-antwoordformulier.
- vul op het mc-antwoordformulier uw naam en studentnummer in, en de versie die u maakt
(A, B, C of D).
- het mc-antwoordformulier bij voorkeur met pen invullen, maar niet met de kleur rood.
- correcties aanbrengen mag (zie mc-antwoordformulier), maar vraag een nieuw mc-
antwoordformulier als u veel doorhalingen heeft.
- U dient alles in te leveren, voorzien van uw naam en studentnummer.
Alleen het gebruik van een niet-geannoteerde wetgevingseditie is toegestaan. Het meegebrachte
materiaal kan tijdens het tentamen door een surveillant worden onderzocht. Ook uw identiteit
wordt tijdens het tentamen gecontroleerd. Daartoe dient u uw identiteitsbewijs op de hoek
van uw tafel te leggen. Dat mag een collegekaart, een paspoort of een ander
identiteitsbewijs zijn.
Veel succes!
VERSIE A Page 1 of 14
,Modelantwoorden, zie voor de antwoorden op de andere versies de transponeringstabel op p. 2
ANTWOORDEN MC VRAGEN, versie A, B, C, D
A B C D
1 24 17 10 c
2 25 18 11 b
3 26 19 12 a
4 27 20 13 a
5 28 21 14 d
6 29 22 15 b
7 30 23 16 d
8 1 24 17 c
9 2 25 18 b
10 3 26 19 b
11 4 27 20 c
12 5 28 21 d
13 6 29 22 c
14 7 30 23 a
15 8 1 24 b
16 9 2 25 c
17 10 3 26 c
18 11 4 27 b
19 12 5 28 c
20 13 6 29 d
21 14 7 30 c
22 15 8 1 d
23 16 9 2 a
24 17 10 3 a
25 18 11 4 b
26 19 12 5 b
27 20 13 6 a
28 21 14 7 c
29 22 15 8 c
30 23 16 9 b
VERSIE A Page 2 of 14
,Modelantwoorden, zie voor de antwoorden op de andere versies de transponeringstabel op p. 2
1. Geef aan of ‘recht’ in de volgende uitspraken in objectieve of subjectieve zin wordt gebruikt.
I. Volgens het burgerlijk recht mag jij de andere partij in gebreke stellen.
II. Zij heeft volgens de Grondwet recht op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer.
a. Uitspraak I: subjectief, uitspraak II: subjectief.
b. Uitspraak I: subjectief, uitspraak II: objectief.
c. Uitspraak I: objectief, uitspraak II: subjectief.
d. Uitspraak I: objectief, uitspraak II: objectief.
Zie Soeteman par. 2.1
2. Soeteman onderscheidt drie functies van recht. Op welke functie is artikel 259 Wetboek van
Strafrecht gebaseerd?
a. Coördinatie van maatschappelijk handelen.
b. Precisering van de maatschappelijke moraal.
c. Realisering van collectieve doeleinden.
S. par. 3.2
3. Geef aan of het in de volgende wetsartikelen om primaire regels of om secundaire regels gaat.
I. Artikel 10.1 lid 2 Wet Milieubeheer
II. Artikel 31lid 1 Provinciewet.
a. I is een primaire regel; II is een secundaire regel.
b. I is een secundaire regel; II is een primaire regel.
c. I en II zijn beide primaire regels.
d. I en II zijn beide secundaire regels.
S. par. 3.3
VERSIE A Page 3 of 14
, Modelantwoorden, zie voor de antwoorden op de andere versies de transponeringstabel op p. 2
4. Volgens welke filosoof was de interpretatie en handhaving van rechten in de natuurstaat
problematisch?
a. Locke.
b. Rousseau.
c. Montesquieu.
d. Rawls.
S. par. 3.2
5. Een ministeriële regeling
a. kan gebruikt worden om toestemming te verlenen voor het huwelijk van de koning;
b. is een wet in formele zin;
c. komt tot stand conform de procedure van artikel 81 Grondwet;
d. kan algemeen verbindende regels bevatten.
S. par. 4.6 & 4.7
6. Welke van de volgende stellingen is juist?
a. Artikel 10 lid 1 Opiumwet is een wet in formele zin, maar geen wet in materiële zin.
b. Artikel 10 lid 1 Opiumwet is zowel een wet in formele zin, als in materiële zin.
c. Artikel 10 lid 1 Opiumwet is een wet in materiële zin, maar geen wet in formele zin.
d. Artikel 10 lid 1 Opiumwet is noch een wet in materiële, noch een wet in formele zin.
S. par. 4.6 & 4.7
7. Tot welke rechtsbron is het Statuut van het Internationaal Gerechtshof te herleiden?
a. Wet.
b. Gewoonte.
c. Rechtspraak.
d. Internationaal verdrag.
S. par. 4.4 & 4.11
VERSIE A Page 4 of 14
Naam: ……………………………………………………………………………...
Studentnummer:…………………………………………………………………..
TENTAMEN Inleiding in de Rechtswetenschap
Vrijdag 25 oktober 2013, 08:45 – 11:15 uur
LEES DIT EERST!
Het tentamen bestaat uit in totaal 30 multiple-choicevragen en 1 open vraag, bestaande uit vier
subvragen.
Dit formulier bevat inclusief het voorblad 13 pagina's. Op de laatste pagina’s is er ruimte om de
antwoorden op de open vragen op te schrijven.
Voor de beantwoording van de multiple-choicevragen krijgt u een mc-antwoordformulier.
- vul op het mc-antwoordformulier uw naam en studentnummer in, en de versie die u maakt
(A, B, C of D).
- het mc-antwoordformulier bij voorkeur met pen invullen, maar niet met de kleur rood.
- correcties aanbrengen mag (zie mc-antwoordformulier), maar vraag een nieuw mc-
antwoordformulier als u veel doorhalingen heeft.
- U dient alles in te leveren, voorzien van uw naam en studentnummer.
Alleen het gebruik van een niet-geannoteerde wetgevingseditie is toegestaan. Het meegebrachte
materiaal kan tijdens het tentamen door een surveillant worden onderzocht. Ook uw identiteit
wordt tijdens het tentamen gecontroleerd. Daartoe dient u uw identiteitsbewijs op de hoek
van uw tafel te leggen. Dat mag een collegekaart, een paspoort of een ander
identiteitsbewijs zijn.
Veel succes!
VERSIE A Page 1 of 14
,Modelantwoorden, zie voor de antwoorden op de andere versies de transponeringstabel op p. 2
ANTWOORDEN MC VRAGEN, versie A, B, C, D
A B C D
1 24 17 10 c
2 25 18 11 b
3 26 19 12 a
4 27 20 13 a
5 28 21 14 d
6 29 22 15 b
7 30 23 16 d
8 1 24 17 c
9 2 25 18 b
10 3 26 19 b
11 4 27 20 c
12 5 28 21 d
13 6 29 22 c
14 7 30 23 a
15 8 1 24 b
16 9 2 25 c
17 10 3 26 c
18 11 4 27 b
19 12 5 28 c
20 13 6 29 d
21 14 7 30 c
22 15 8 1 d
23 16 9 2 a
24 17 10 3 a
25 18 11 4 b
26 19 12 5 b
27 20 13 6 a
28 21 14 7 c
29 22 15 8 c
30 23 16 9 b
VERSIE A Page 2 of 14
,Modelantwoorden, zie voor de antwoorden op de andere versies de transponeringstabel op p. 2
1. Geef aan of ‘recht’ in de volgende uitspraken in objectieve of subjectieve zin wordt gebruikt.
I. Volgens het burgerlijk recht mag jij de andere partij in gebreke stellen.
II. Zij heeft volgens de Grondwet recht op eerbiediging van haar persoonlijke levenssfeer.
a. Uitspraak I: subjectief, uitspraak II: subjectief.
b. Uitspraak I: subjectief, uitspraak II: objectief.
c. Uitspraak I: objectief, uitspraak II: subjectief.
d. Uitspraak I: objectief, uitspraak II: objectief.
Zie Soeteman par. 2.1
2. Soeteman onderscheidt drie functies van recht. Op welke functie is artikel 259 Wetboek van
Strafrecht gebaseerd?
a. Coördinatie van maatschappelijk handelen.
b. Precisering van de maatschappelijke moraal.
c. Realisering van collectieve doeleinden.
S. par. 3.2
3. Geef aan of het in de volgende wetsartikelen om primaire regels of om secundaire regels gaat.
I. Artikel 10.1 lid 2 Wet Milieubeheer
II. Artikel 31lid 1 Provinciewet.
a. I is een primaire regel; II is een secundaire regel.
b. I is een secundaire regel; II is een primaire regel.
c. I en II zijn beide primaire regels.
d. I en II zijn beide secundaire regels.
S. par. 3.3
VERSIE A Page 3 of 14
, Modelantwoorden, zie voor de antwoorden op de andere versies de transponeringstabel op p. 2
4. Volgens welke filosoof was de interpretatie en handhaving van rechten in de natuurstaat
problematisch?
a. Locke.
b. Rousseau.
c. Montesquieu.
d. Rawls.
S. par. 3.2
5. Een ministeriële regeling
a. kan gebruikt worden om toestemming te verlenen voor het huwelijk van de koning;
b. is een wet in formele zin;
c. komt tot stand conform de procedure van artikel 81 Grondwet;
d. kan algemeen verbindende regels bevatten.
S. par. 4.6 & 4.7
6. Welke van de volgende stellingen is juist?
a. Artikel 10 lid 1 Opiumwet is een wet in formele zin, maar geen wet in materiële zin.
b. Artikel 10 lid 1 Opiumwet is zowel een wet in formele zin, als in materiële zin.
c. Artikel 10 lid 1 Opiumwet is een wet in materiële zin, maar geen wet in formele zin.
d. Artikel 10 lid 1 Opiumwet is noch een wet in materiële, noch een wet in formele zin.
S. par. 4.6 & 4.7
7. Tot welke rechtsbron is het Statuut van het Internationaal Gerechtshof te herleiden?
a. Wet.
b. Gewoonte.
c. Rechtspraak.
d. Internationaal verdrag.
S. par. 4.4 & 4.11
VERSIE A Page 4 of 14