Anatomie
Onderdeel 1: basisbegrippen anatomie – 10 leerdoelen, 3 deelonderwerpen
Deelonderwerp 1: inleiding anatomie, fysiologie en biomechanica – 3 leerdoelen
1. De student kan de inhoud van de biomechanische vakken anatomie, fysiologie en
biomechanica globaal herkennen.
2. De student kan de onderlinge samenhang aangeven van de biomechanische vakgebieden
anatomie, fysiologie en biomechanica.
3. De student kan het ontstaan van de biomechanische vakken anatomie, fysiologie en
biomechanica globaal benoemen aan de hand van een aantal historische ontwikkelingen.
Leerdoel 1: de student kan de inhoud van de biomechanische vakken anatomie, fysiologie en
biomechanica globaal herkennen.
- Anatomie houdt zich bezig met het bestuderen van de bouw van het menselijk lichaam
- Fysiologie is de studie van het functioneren van de anatomische structuren, studie van de
functies van het lichaam
- Biomechanica is de analyse van de techniek van de menselijke beweging. Het is wetenschap
die verklaart hoe het menselijk lichaam beweegt en waarom dat gebeurt.
Leerdoel 2: de student kan de onderlinge samenhang aangeven van de biomechanische vakgebieden
anatomie, fysiologie en biomechanica.
- De fysiologie heb je nodig om te begrijpen hoe de spieren/pezen en botten werken en wat
deze functies zijn. Zo kan je sneller herkennen wat functies van bepaalde spieren zijn tijdens
VL-lessen en de anatomie hoorcolleges.
Leerdoel 3: de student kan het ontstaan van de biomechanische vakken anatomie, fysiologie en
biomechanica globaal benoemen aan de hand van een aantal historische ontwikkelingen.
- Anatomie werd in oude Egypte bestudeerd, lichamen werden ontleed om kennis op te doen.
In oude griekenland maakte Hippocrates bijdrage aan de anatomie en legde de basis.
- Fysiologie: tijdens Renaissance, met bijv. William Harvey, ontdekkingen over bloedsomloop.
- Biomechanica: 19e eeuw, opkomst industriële revolutie. Behoefte om menselijke bewegingen
te begrijpen.
Deelonderwerp 2: nomenclatuur – 3 leerdoelen.
1. De student kan de gebruikelijke anatomie benamingen voor de diverse bewegingsvlakken- en
assen van het menselijk lichaam (m.n. vanuit anatomische positie) benoemen.
2. De student kan bewegingen van lichaamsdelen en/of botstukken aangeven met de juiste
anatomische benamingen.
3. De student kan de basale anatomische bouw van een gewricht uitleggen.
4. De student kan het onderscheid tussen verschillende typen gewrichten benoemen en kan
uitleggen welke consequenties dit heeft voor de mogelijke bewegingsrichtingen.
Leerdoel 1: de student kan de gebruikelijke anatomie benamingen voor de diverse bewegingsvlakken-
en assen van het menselijk lichaam (m.n. vanuit anatomische positie) benoemen.
,Bewegingsvlakken:
- Frontaal: links naar rechts
- Sagittaal: voor naar achter
- Transversaal: horizontaal
Bewegingsassen:
Waar vakken elkaar kruisen wordt een lijn gevormd
→ as
- Longitudinale as: kruising frontale en
sagittale vlak (boven naar beneden)
- Transversale as: kruising transversale en
frontale vlak (links naar rechts door heup)
- Sagittale as: kruising transversale en sagittale vlak
(voor naar achter door heup)
, Diep naar binnen = profundus
(dieper liggende spier)
Oppervlakkig = superficialis (niet
diep liggende spier)
Leerdoel 2: de student kan bewegingen van lichaamsdelen en/of botstukken aangeven met de juiste
anatomische benamingen
- Flexie = buiging
- Retro-flexie = naar achter bewegen (bij heup: been naar achter)
- Ante – flexie/versie = naar voor bewegen (bij heup: been naar voor)
- Extensie = strekken
- Hyper-extensie = maximale strekking
- AD – ductie= naar lichaam toe
- AB – ductie = naar buiten draaien
- Inversie = naar binnen draaien
- Eversie = naar buiten draaien
- Exorotiatie = naar buiten bewegen
- Endorotatie = naar binnen bewegen
- Suppinatie = naar binnen draaien (alleen passief)
- Pronatie = naar buiten draaien (alleen passief)
- Circumductie= gecombineerde beweging in bijv. de schouder
, Bepaalde bewegingen vinden altijd plaats in een bepaald vlak en as:
- Transversale vlak en longitudinale as → rotatie
- Frontale vlak en sagittale as → abductie/adductie
- Sagittale vlak en transversale as → flexie/extensie
Leerdoel 3: de student kan de basale anatomische bouw van een gewricht uitleggen.
Gewricht: plaats waar 2/meer botten samenkomen.
➔ Complexe structuur met verschillende componenten: botten, kraakbeen, ligamenten,
gewrichtskapsel. (werken samenv voor stabiliteit, mobiliteit en schokabsorptie)
➔ Bewegingen in gewricht: variatie: van scharnier (elleboog) tot roterend (schouder)
- Bindweefselgewrichten: weinig beweging, door kraakbeen
gevormd (naam: syndesmosis of sutura)
- Kraakbeengewrichten: weinig beweging, door kraakbeen
gevormd
(synchondrosis = hyalien, symphysis = vezelig)
➔ Hyalien kraakbeen: glasachtig
→ zorgt ervoor dat gewrichten soepel over elkaar heen
kunnen bewegen
➔ Vezelig kraakbeen: geeft soepelige botverbinding
- Echte gewrichten hebben meer bewegingen en ook een
gewrichtskapsel (synoviaal)
Leerdoel 4: de student kan het onderscheid tussen verschillende typen gewrichten benoemen en kan
uitleggen welke consequenties dit heeft voor mogelijke bewegingsrichtingen
Verschillende soorten gewrichten: (verschil gewricht → verschil bewegingsrichting)
- Scharniergewricht (bijv. ellebooggewricht): alleen flexie en extensie, waardoor de
bewegingsrichting beperkt is.
- Kogelgewricht (bijv. schoudergewricht) → flexie, extensie, abductie, adductie, rotatie
- Zadelgewricht (duimgewricht) → bewegingen in 2 richtingen mogelijk zoals:
Flexie, extensie, rotatie, zijwaarts bewegen
- Rolgewricht: (bijv. gewricht tussen spaak en ellepijp): glijdende en roterende bewegingen
maken
- Draaigewricht (bijv. gewricht tussen
wervels van je nek): alleen
draaibewegingen rond 1 as
Deelonderwerp 3: inleiding myologie
algemeen - 3 leerdoelen
1. De student is in staat om de
karakteristieken van de drie hoofdsoorten
spieren te onderscheiden.
2. Je kunt verschillende typen van
spiercontracties en acties, individueel en
in samenhang met andere spieren,
uitleggen.
Onderdeel 1: basisbegrippen anatomie – 10 leerdoelen, 3 deelonderwerpen
Deelonderwerp 1: inleiding anatomie, fysiologie en biomechanica – 3 leerdoelen
1. De student kan de inhoud van de biomechanische vakken anatomie, fysiologie en
biomechanica globaal herkennen.
2. De student kan de onderlinge samenhang aangeven van de biomechanische vakgebieden
anatomie, fysiologie en biomechanica.
3. De student kan het ontstaan van de biomechanische vakken anatomie, fysiologie en
biomechanica globaal benoemen aan de hand van een aantal historische ontwikkelingen.
Leerdoel 1: de student kan de inhoud van de biomechanische vakken anatomie, fysiologie en
biomechanica globaal herkennen.
- Anatomie houdt zich bezig met het bestuderen van de bouw van het menselijk lichaam
- Fysiologie is de studie van het functioneren van de anatomische structuren, studie van de
functies van het lichaam
- Biomechanica is de analyse van de techniek van de menselijke beweging. Het is wetenschap
die verklaart hoe het menselijk lichaam beweegt en waarom dat gebeurt.
Leerdoel 2: de student kan de onderlinge samenhang aangeven van de biomechanische vakgebieden
anatomie, fysiologie en biomechanica.
- De fysiologie heb je nodig om te begrijpen hoe de spieren/pezen en botten werken en wat
deze functies zijn. Zo kan je sneller herkennen wat functies van bepaalde spieren zijn tijdens
VL-lessen en de anatomie hoorcolleges.
Leerdoel 3: de student kan het ontstaan van de biomechanische vakken anatomie, fysiologie en
biomechanica globaal benoemen aan de hand van een aantal historische ontwikkelingen.
- Anatomie werd in oude Egypte bestudeerd, lichamen werden ontleed om kennis op te doen.
In oude griekenland maakte Hippocrates bijdrage aan de anatomie en legde de basis.
- Fysiologie: tijdens Renaissance, met bijv. William Harvey, ontdekkingen over bloedsomloop.
- Biomechanica: 19e eeuw, opkomst industriële revolutie. Behoefte om menselijke bewegingen
te begrijpen.
Deelonderwerp 2: nomenclatuur – 3 leerdoelen.
1. De student kan de gebruikelijke anatomie benamingen voor de diverse bewegingsvlakken- en
assen van het menselijk lichaam (m.n. vanuit anatomische positie) benoemen.
2. De student kan bewegingen van lichaamsdelen en/of botstukken aangeven met de juiste
anatomische benamingen.
3. De student kan de basale anatomische bouw van een gewricht uitleggen.
4. De student kan het onderscheid tussen verschillende typen gewrichten benoemen en kan
uitleggen welke consequenties dit heeft voor de mogelijke bewegingsrichtingen.
Leerdoel 1: de student kan de gebruikelijke anatomie benamingen voor de diverse bewegingsvlakken-
en assen van het menselijk lichaam (m.n. vanuit anatomische positie) benoemen.
,Bewegingsvlakken:
- Frontaal: links naar rechts
- Sagittaal: voor naar achter
- Transversaal: horizontaal
Bewegingsassen:
Waar vakken elkaar kruisen wordt een lijn gevormd
→ as
- Longitudinale as: kruising frontale en
sagittale vlak (boven naar beneden)
- Transversale as: kruising transversale en
frontale vlak (links naar rechts door heup)
- Sagittale as: kruising transversale en sagittale vlak
(voor naar achter door heup)
, Diep naar binnen = profundus
(dieper liggende spier)
Oppervlakkig = superficialis (niet
diep liggende spier)
Leerdoel 2: de student kan bewegingen van lichaamsdelen en/of botstukken aangeven met de juiste
anatomische benamingen
- Flexie = buiging
- Retro-flexie = naar achter bewegen (bij heup: been naar achter)
- Ante – flexie/versie = naar voor bewegen (bij heup: been naar voor)
- Extensie = strekken
- Hyper-extensie = maximale strekking
- AD – ductie= naar lichaam toe
- AB – ductie = naar buiten draaien
- Inversie = naar binnen draaien
- Eversie = naar buiten draaien
- Exorotiatie = naar buiten bewegen
- Endorotatie = naar binnen bewegen
- Suppinatie = naar binnen draaien (alleen passief)
- Pronatie = naar buiten draaien (alleen passief)
- Circumductie= gecombineerde beweging in bijv. de schouder
, Bepaalde bewegingen vinden altijd plaats in een bepaald vlak en as:
- Transversale vlak en longitudinale as → rotatie
- Frontale vlak en sagittale as → abductie/adductie
- Sagittale vlak en transversale as → flexie/extensie
Leerdoel 3: de student kan de basale anatomische bouw van een gewricht uitleggen.
Gewricht: plaats waar 2/meer botten samenkomen.
➔ Complexe structuur met verschillende componenten: botten, kraakbeen, ligamenten,
gewrichtskapsel. (werken samenv voor stabiliteit, mobiliteit en schokabsorptie)
➔ Bewegingen in gewricht: variatie: van scharnier (elleboog) tot roterend (schouder)
- Bindweefselgewrichten: weinig beweging, door kraakbeen
gevormd (naam: syndesmosis of sutura)
- Kraakbeengewrichten: weinig beweging, door kraakbeen
gevormd
(synchondrosis = hyalien, symphysis = vezelig)
➔ Hyalien kraakbeen: glasachtig
→ zorgt ervoor dat gewrichten soepel over elkaar heen
kunnen bewegen
➔ Vezelig kraakbeen: geeft soepelige botverbinding
- Echte gewrichten hebben meer bewegingen en ook een
gewrichtskapsel (synoviaal)
Leerdoel 4: de student kan het onderscheid tussen verschillende typen gewrichten benoemen en kan
uitleggen welke consequenties dit heeft voor mogelijke bewegingsrichtingen
Verschillende soorten gewrichten: (verschil gewricht → verschil bewegingsrichting)
- Scharniergewricht (bijv. ellebooggewricht): alleen flexie en extensie, waardoor de
bewegingsrichting beperkt is.
- Kogelgewricht (bijv. schoudergewricht) → flexie, extensie, abductie, adductie, rotatie
- Zadelgewricht (duimgewricht) → bewegingen in 2 richtingen mogelijk zoals:
Flexie, extensie, rotatie, zijwaarts bewegen
- Rolgewricht: (bijv. gewricht tussen spaak en ellepijp): glijdende en roterende bewegingen
maken
- Draaigewricht (bijv. gewricht tussen
wervels van je nek): alleen
draaibewegingen rond 1 as
Deelonderwerp 3: inleiding myologie
algemeen - 3 leerdoelen
1. De student is in staat om de
karakteristieken van de drie hoofdsoorten
spieren te onderscheiden.
2. Je kunt verschillende typen van
spiercontracties en acties, individueel en
in samenhang met andere spieren,
uitleggen.