- Inkomen en welvaart zijn 2 verschillende dingen:
- Welvaart is de mate waarin je in je behoeftes kunt voorzien
- Gemiddelde inkomen:
Gem inkomen=nationaal verdiend inkomen ÷ aantal inwoners
- Inkomen uit arbeid: Mensen die in loondienst of zelfstandig ondernemer zijn.
- Inkomen uit uitkering mensen die leven van een uitkering, (werkloosheidsuitkering)
- Inkomen uit vermogen: Mensen die huur of rente over spaargeld ontvangen
- Nominaal inkomen: Inkomen in euro's. Kan ook in indexcijfers uitgedrukt zijn.
- Formule index nominaal inkomen:
nieuw besteedbaar inkomen
- Index nominaal inkomen( jaar)= ×100=indexcijfer
oud besteedbaar inkomen
- Prijzen stijgen → koopkracht van een euro neemt af
- inflatie: Een situatie van stijgende prijzen
- Inflatie is de stijging van het gemiddeld prijspeil
- Inflatie zorgt ervoor dat de koopkracht van een gegeven nominaal bedrag
minder wordt.
- Deflatie: Wanneer het gemiddelde prijspeil daalt
- Reëel inkomen: Het nominaal inkomen gecorrigeerd door de verandering in het
gemiddeld prijspeil.
- RIC = (NIC / PIC) * 100
- RIC = Index Reëel inkomen
- NIC = Index Nominaal inkomen
- PIC = Index gemiddeld prijspeil
- Iedere mens heeft behoeftes die zij moeten voorzien
- Die moet je met middelen of producten voorzien
- Tastbare producten/goederen: Producten die je kunt aanraken
- Niet-tastbare producten/dienst: Producten die je niet kunt aanraken
- Alternatief aanwendbare producten: Producten die op verschillende manieren kan
worden gebruikt (bijv hout)
- Als je voor iets kiest, dan geef je het andere op
- Tijd is ook alternatief aanwendbaar
- Vrije goederen: Goederen waarvoor bij gebruik niets opgeofferd hoeft te worden
- Schaarste: de spanning tussen de menselijke behoeften en de beschikbare,
alternatief aanwendbare, middelen om die behoeften te voorzien.
- Schaarste ≠ zeldzaamheid
- Weinig middelen om behoeftes te voorzien → schaarste ervaren → weinig
welvarend voelend.
- Extreme armoede: als je iedere dag met weinig geld moet leven.
- Reëel inkomen hoger → schaarste terugdringen → welvarender
voelen
- Ook meer voedsel en betere huisvesting
- Welvaart: de mate waarin je in je behoeftes kunt voorzien
, - Hoger inkomen ≠ hogere welvaart
- Als je behoeften even hard groeien als je inkomen, voel je je niet welvarender
- Er zijn vormen van schaarste die niet met hoger inkomen kunnen worden
teruggedrongen (bijv. CO2-uitstoot)
- Welvaart is subjectief. Mensen hebben andere behoeftes.
- Er is een verband tussen inkomen en welvaart, maar dat verband geldt niet altijd
H1 §2
- Door schaarste moet je voortdurend keuzes maken
- Als je voor iets kiest moet je het andere opgeven
- Budgetlijn: een bepaald budget wordt aan 2 producten gegeven.
- Budgetlijn formules:
- y= p1 ⋅q 1+ p2 ⋅q 2
- q 2=
( − p1
p2 )
⋅ p1 +
y
p2
- y = budget
- p1 = prijs van product 1
- q1 = hoeveelheid van product 1
- p2 = prijs van product 2
- p2 = hoeveelheid van product 2
- De richtingscoëfficiënt van de budgetlijn is gelijk aan de (behalve – teken) verhouding
van prijs van beide producten.
- Als je voor iets kiest offer je het andere op (als je A kiest mag je minder B)
- Alternatieve kosten: De kosten van de niet gekozen mogelijkheid (De
opofferingskosten van B bestaan uit 4 A's)
- Opoffering/alternatieve kosten: Bestaan uit de waarde van het opgeofferde
alternatief
- Er is een mogelijkheid dat er meer dan 2 keuzemogelijkheden zijn.
- De opofferingskosten is dan de waarde van de niet-gekozen mogelijkheid met
de meeste waarde.
- Formule opofferingskosten:
- Kosten van de consumpties+Opofferingskosten
- De mogelijkheden kunnen in jouw perspectief niet gelijk zijn. De minderwaardige
keuze is minder waard
- De "netto opbrengst" is 0
- De betere keuze is meer geld waard
H1 §3
- Adam Smith is de grondlegger van economisch wetenschap en had veel invloed op
arbeidsdeling. Door arbeidsdeling is werk in fabrieken, landen etc effectiever
- In arbeidsdeling vindt specialisatie plaats. Mensen concentreren ze op een deel van
het gehele product
, - In ruil voor diensten krijgen mensen moderne consumptiegoederen
- Door arbeidsdeling is er een scheiding tussen productie en consumptie (wat jij
produceert consumeren anderen)
- Door specialisatie neemt arbeidsproductiviteit toe
- Je kunt arbeidsproductiviteit meten in bijv. productie per werknemer per uur
- Arbeidsproductiviteit: Productie per werknemer per tijdseenheid
- Redenen waardoor arbeidsproductiviteit hoger wordt:
- Arbeidsdeling
- Mechanisering: machines nemen het werk van mensen over
- Scholing: Een goede scholing→doelmatiger productieprocess
- De manier waarop mannen en vrouwen huishoudelijke taken verdelen, zonder
betrekking van andere voorkeuren, afhankelijk aan sociale normen en financiële
voordelen. Mannen doen nu wel meer huishoudelijke taken dan eerst.
- Vrouwen zorgden voor het huishouden en kinderen in de jaren 50, en dat is
voor een deel nog steeds zo.
- Vrouwen verdienen 12% minder dan mannen omdat:
- Vrouwen zijn onvertegenwoordigt in hogere functies
- Vrouwen werken in minder goed betalende beroepen
- Vrouwen werken vaker in deeltijd→minder kans op promotie
- Vrouwen onderbreken hun werk wanneer ze kinderen krijgen
- Op universiteiten zijn vrouwen wel meer succesvol
- De man heeft hogere opofferingskosten dan een vrouw omdat hij meestal meer
verdient. Daarom doen vaak de vrouwen het huishouden
- Door persoonlijke voorkeuren en sociale normen werken mannen meer dan vrouwen
- Meestal werkt de man fulltime en de vrouw parttime
- Een bedrijfskolom kan worden gebruikt door bedrijven om de arbeidsdeling te
verduidelijken.
- Bedrijfskolom: Reeks van bedrijven die elkaar opvolgen in het productieproces van
grondstof tot eindproduct.
- De consument maakt hier geen deel van uit
- Een bedrijfskolom is verticaal georganiseerd. Horizontaal zijn de
bedrijfstakken (bijv alle modezaken)
- Als er meer wordt gespecialiseerd komen er meer schakels, de arbeidsdeling is
verfijnd. Hier is sprake van differentiatie
- Als 2 schakels in de bedrijfskolom in elkaar worden geschoven is er integratie
- Meer arbeidsverdeling = meer ruil
- Ieder individu maakt een klein deel uit van de totale productie
- Eigendomsrechten: Bewijs dat iets van jou is (bijv een certificaat)
- Je kunt alleen iets ruilen als het van jou is
- Met een notaris kun je de verkoop en eigendom van huizen vastleggen
- Transactie = ruil
- Er moet bij een transactie de verkoopprijs van een bepaald product worden betaalt,
waar ook extra kosten bij horen