Samenvatting mensbeeld,
ethiek en werkwijzen
Volgens het boek: ethiek de basis van Wieger van Dalen. 4e druk. ISBN: 9789001738846
,Inhoudsopgave
H1, moraal begint bij je mening..................................................................................................................... 3
1.1 Je mening komt vanzelf..................................................................................................................................3
1.2 Hoe werkt dat als je samenwerkt?.................................................................................................................4
1.3 Morele competenties.....................................................................................................................................4
1.4 Ethiek en professioneel functioneren.............................................................................................................5
H2, ethiek levert nieuwe argumenten............................................................................................................ 5
2.1 Wat zijn morele argumenten?.......................................................................................................................5
2.2 Normen, waarden en deugden......................................................................................................................6
2.3 Ethiek: hoe weeg je argumenten?..................................................................................................................6
2.4 Moreel argumenteren betekent gevoelig denken..........................................................................................7
H3, verantwoordelijkheid: ethiek voor jezelf.................................................................................................. 8
3.1 Samenwerken: zo werkt dat...........................................................................................................................8
3.2 Verantwoordelijkheid in actie........................................................................................................................8
3.3 Verzachtende en verontschuldigende omstandigheden................................................................................9
H4, rechtvaardigheid: ethiek voor het samenleven.........................................................................................9
4.1 Waarom hebben we rechten?........................................................................................................................9
4.2 Rechten vergelijken........................................................................................................................................9
4.3 Rechtvaardigheid is het erkennen van gelijkheid.........................................................................................10
H5, zelfbeschikking en autonomie: ethiek voor de ander..............................................................................12
5.1 Vrijheid: dat mag je zelf weten....................................................................................................................12
5.2 Zelfbeschikking: dat kun je zelf weten.........................................................................................................12
5.3 Autonomie: dat moet je zelf weten..............................................................................................................13
H6, integriteit: ethiek voor de professional..................................................................................................13
6.1 Moraal en integriteit....................................................................................................................................13
6.2 Integriteit is een deugd................................................................................................................................14
Integriteit betekent ook dat je een juiste mentaliteit bezit...............................................................................15
6.3 De moraal van je vak....................................................................................................................................15
H8, systematische morele beoordeling van een situatie...............................................................................15
8.1 Formuleren van een morele vraag...............................................................................................................15
8.2 Gevoelig denken...........................................................................................................................................15
8.3 Stappenplan voor moreel oordelen..............................................................................................................16
2
, H1, moraal begint bij je mening
1.1 Je mening komt vanzelf
Moreel oordeel: oordeel dat gaat over gedrag van mensen en hoe ze met elkaar omgaan.
Hierin spreek je uit wat je behoorlijk vindt van jezelf en van anderen. Je geeft aan hoe je
verwacht dat die ander met jou of anderen om zou moeten gaan.
- Bijvoorbeeld: ‘de docent laat je nou nooit een keer uitpraten!
5 kenmerken waarmee je morele oordelen kunt herkennen:
1. Het gaat over menselijk gedrag.
2. Het overstijgt het individuele: universaliteitsprincipe: als de een een snoepje mag,
mag ik dat ook. Als ik jou gedrag afkeur, kan ik het zelf ook niet maken.
3. Het is normatief: hoe je behoort te handelen.
4. Het is gericht op het goede: wanneer ben ik een goed mens?
5. Het kan morele verontwaardiging veroorzaken: het kan morele verontwaardiging
(specifiek soort emotie, ‘dat is niet eerlijk’) losmaken.
Intuïtief moreel oordeel: moreel oordeel dat vanzelf komt. Het gebeurt automatisch en het
valt niet op dat je het doet.
3 verschillende zaken die gebeuren als je een moreel oordeel hebt:
1. Subjectief: je voelt iets. Het is alleen van jou. Je kunt bijvoorbeeld zeggen dat je
hoofdpijn hebt, maar een ander kan jouw hoofdpijn niet voelen. Zelfs als degene zegt
dat hij ook hoofdpijn heeft, is het alsnog niet dezelfde hoofdpijn. Jullie hebben elk je
eigen hoofdpijn.
o Bijvoorbeeld: ‘het kwetst me dat niemand mijn les leuk vindt’.
2. Objectief: je weet iets. Het ligt buiten jou en het zijn feiten die je feitelijk kan
controleren.
o Bijvoorbeeld: ‘het sneeuwt buiten’. Je kan buiten kijken of het echt sneeuwt
of niet.
3. Normatief: je oordeelt iets. Verbinding tussen kenner en gekende.
Proces Wat doe je? Resultaat Visueel
Ervaren Je ervaart een Gevoelens Voelen
(subjectiveren) binnenwereld in Ik
je bewustzijn
Kennen Je representeert Feiten (kennis) Kennen
(objectiveren) een Ik feit
buitenwereld in
je bewustzijn
Oordelen Je geeft Morele
(normeren) betekenis aan oordelen oordelen
moreel
gedrag door het uitgangspunt
te verbinden
met idealen,
principes
ik gedrag
3
ethiek en werkwijzen
Volgens het boek: ethiek de basis van Wieger van Dalen. 4e druk. ISBN: 9789001738846
,Inhoudsopgave
H1, moraal begint bij je mening..................................................................................................................... 3
1.1 Je mening komt vanzelf..................................................................................................................................3
1.2 Hoe werkt dat als je samenwerkt?.................................................................................................................4
1.3 Morele competenties.....................................................................................................................................4
1.4 Ethiek en professioneel functioneren.............................................................................................................5
H2, ethiek levert nieuwe argumenten............................................................................................................ 5
2.1 Wat zijn morele argumenten?.......................................................................................................................5
2.2 Normen, waarden en deugden......................................................................................................................6
2.3 Ethiek: hoe weeg je argumenten?..................................................................................................................6
2.4 Moreel argumenteren betekent gevoelig denken..........................................................................................7
H3, verantwoordelijkheid: ethiek voor jezelf.................................................................................................. 8
3.1 Samenwerken: zo werkt dat...........................................................................................................................8
3.2 Verantwoordelijkheid in actie........................................................................................................................8
3.3 Verzachtende en verontschuldigende omstandigheden................................................................................9
H4, rechtvaardigheid: ethiek voor het samenleven.........................................................................................9
4.1 Waarom hebben we rechten?........................................................................................................................9
4.2 Rechten vergelijken........................................................................................................................................9
4.3 Rechtvaardigheid is het erkennen van gelijkheid.........................................................................................10
H5, zelfbeschikking en autonomie: ethiek voor de ander..............................................................................12
5.1 Vrijheid: dat mag je zelf weten....................................................................................................................12
5.2 Zelfbeschikking: dat kun je zelf weten.........................................................................................................12
5.3 Autonomie: dat moet je zelf weten..............................................................................................................13
H6, integriteit: ethiek voor de professional..................................................................................................13
6.1 Moraal en integriteit....................................................................................................................................13
6.2 Integriteit is een deugd................................................................................................................................14
Integriteit betekent ook dat je een juiste mentaliteit bezit...............................................................................15
6.3 De moraal van je vak....................................................................................................................................15
H8, systematische morele beoordeling van een situatie...............................................................................15
8.1 Formuleren van een morele vraag...............................................................................................................15
8.2 Gevoelig denken...........................................................................................................................................15
8.3 Stappenplan voor moreel oordelen..............................................................................................................16
2
, H1, moraal begint bij je mening
1.1 Je mening komt vanzelf
Moreel oordeel: oordeel dat gaat over gedrag van mensen en hoe ze met elkaar omgaan.
Hierin spreek je uit wat je behoorlijk vindt van jezelf en van anderen. Je geeft aan hoe je
verwacht dat die ander met jou of anderen om zou moeten gaan.
- Bijvoorbeeld: ‘de docent laat je nou nooit een keer uitpraten!
5 kenmerken waarmee je morele oordelen kunt herkennen:
1. Het gaat over menselijk gedrag.
2. Het overstijgt het individuele: universaliteitsprincipe: als de een een snoepje mag,
mag ik dat ook. Als ik jou gedrag afkeur, kan ik het zelf ook niet maken.
3. Het is normatief: hoe je behoort te handelen.
4. Het is gericht op het goede: wanneer ben ik een goed mens?
5. Het kan morele verontwaardiging veroorzaken: het kan morele verontwaardiging
(specifiek soort emotie, ‘dat is niet eerlijk’) losmaken.
Intuïtief moreel oordeel: moreel oordeel dat vanzelf komt. Het gebeurt automatisch en het
valt niet op dat je het doet.
3 verschillende zaken die gebeuren als je een moreel oordeel hebt:
1. Subjectief: je voelt iets. Het is alleen van jou. Je kunt bijvoorbeeld zeggen dat je
hoofdpijn hebt, maar een ander kan jouw hoofdpijn niet voelen. Zelfs als degene zegt
dat hij ook hoofdpijn heeft, is het alsnog niet dezelfde hoofdpijn. Jullie hebben elk je
eigen hoofdpijn.
o Bijvoorbeeld: ‘het kwetst me dat niemand mijn les leuk vindt’.
2. Objectief: je weet iets. Het ligt buiten jou en het zijn feiten die je feitelijk kan
controleren.
o Bijvoorbeeld: ‘het sneeuwt buiten’. Je kan buiten kijken of het echt sneeuwt
of niet.
3. Normatief: je oordeelt iets. Verbinding tussen kenner en gekende.
Proces Wat doe je? Resultaat Visueel
Ervaren Je ervaart een Gevoelens Voelen
(subjectiveren) binnenwereld in Ik
je bewustzijn
Kennen Je representeert Feiten (kennis) Kennen
(objectiveren) een Ik feit
buitenwereld in
je bewustzijn
Oordelen Je geeft Morele
(normeren) betekenis aan oordelen oordelen
moreel
gedrag door het uitgangspunt
te verbinden
met idealen,
principes
ik gedrag
3