Paragraaf 1
Gravitatiekracht houdt in: wat massa heeft, trekt aan alles wat massa heeft en deze wet zegt
je precies hoe hard er getrokken wordt. Bijvoorbeeld de kracht waarmee de zon aan de
aarde trekt.
Gravitatiekracht F g = gravitatiekracht Newton (N)
G = natuurcontante = 6,6726 x 10-11 Nm2Kg-2
m∙M m= massa van het vallende voorwerp. kg
F g=G ∙ 2
r M = massa van het hemellichaam kg
r = afstand tussen middelpunt van de m2
hemellichamen.
De valversnelling van een voorwerp dat naar de aarde of een ander hemellichaam valt:
Valversnelling g = de valversnelling m/s2
F z = zwaartekracht waarmee het Newton (N)
F voorwerp wordt aangetrokken door het
g= z
m hemelichaam
m= massa kg
De zwaartekracht is de gravitatiekracht en wordt dus ook beschreven door de
gravitatiekracht formule (bovenaan). Daarom combineren levert als volgt op:
F g G∙ M
g= = 2
m r
Als je de valversnelling wilt weten aan het oppervlak van een hemellichaam, bijvoorbeeld de
aarde of de maan, dan moet je voor r de afstand van het centrum van het hemellichaam tot
het oppervlak nemen. Deze is gelijk aan de straal van het hemellichaam, R. je vindt zo dat de
valversnelling aan het oppervalk gelijk is aan:
G∙M
g= 2
R
(niet in de binas)
Valt iets naar de aarde toe, dan wordt er energie omgezet in bewegingsenergie. Deze
energie wordt geleverd door de gravitatiekracht en heet dan ook gravitatie-energie.
De gravitatie-energie is gelijk aan de arbeid die je moet verrichten om een voorwerp op een
afstand r van de aarde te brengen.
Gravitatie-energie Eg = Gravitatie-energie Joule
G = natuurcontante = 6,6726 x 10-11 Nm2Kg-2
−G∙ m ∙ M m= massa van het vallende voorwerp. kg
E g=
r M = massa van het hemellichaam kg
r = afstand tussen middelpunt van de m2
hemellichamen.
De energie heeft een negatieve waarde, buiten de invloedsfeer van de aarde, als r oneindig
groot is, vind je voor de gravitatie-energie de waarde 0. Hoe dichter je bij de aarde komt, des