Samenvatting Macro-economi
Samenvatting Hoorcolleges
Samenvatting Boek
“ Macroeconomics, a European Perspective, selected chapters from 2nd edition ”
— Pearson (CU Hooijdonk & Blanchard)
Radboud Universiteit Nijmegen
Yoël Guijt
e
, Hoorcollege 1 Inleiding
> Macro-economie = Economisch systeem als geheel, met onderscheid op de korte, midden en
lange termijn
> Belangrijkste indicatoren:
- BBP (Output), Werkloosheid, In atie (rente/schuld/spaarquote/etc) en Aggregatie
1) BBP (Y)
> BBP = Alle bestedingen aan goederen en diensten / Toegevoegde waarde in een jaar /
Inkomens tijdens een jaar
> Benaderingen:
Productiekant: Vanuit totale bestedingen / Totale toegevoegde waarde
Inkomenskant: Bestedingen in de inkomensrekening
> Nominaal BBP: Current prices VS Reëel BBP: Constant Prices (in atie-gecorrigeerd)
2) Werkloosheid (u)
> Beroepsbevolking L = Werkgelegenheid N + Werkloosheid U
- Werkloosheidspercentage = U/L
- Participatiegraad = L / O (populatie)
> ‘U’ zegt wat over de stand van de economie (ook persoonlijk: moreel, criminaliteit, etc.)
3) In atie (PI)
> In atie = Snelheid waarmee prijzen of prijspeil toeneemt
> CPI (=gemiddelde prijs van een mandje) / BBP De ator (=gemiddelde prijs van totale output)
Termijnen:
> Kort = 1-3 jaar. Puur vraag gedreven, output veranderingen
> Middellang = 3-10 jaar. Output terug naar natuurlijk punt (via aanbodkant)
> Lang = 10 tot 30/40/50 jaar. Technologische groei en Besparingen
Hoorcollege 2 — Goederenmarkt en Financiële markt
Goederenmarkt: Z = C + I + G + (X - M)
> Consumptie C =
Functie van: Besteedbaar inkomen C1(Y - T), maar ook autonoom C0
> Investeringen I =
Functie van: Totale output Y en rente i , maar ook autonoom Io
> Overheidsuitgaven G ook exogeen (hoeft niet per se) = G en T zijn gegeven
> Evenwicht in goederenmarkt: Z = Y (vraag = output), dus Z = Y in de functie
> Y = (1/1-C1) * (C0 + I + G - C1T)
( - C1) = Multiplier van de economie
Meer dan 1-op-1 stijging of daling van de economie!
flfl — fl fl fl
, > Goederenmarkt via de Spaarkant:
S = Yd - C > S = Y - T - C > S = -C0 + ( - c1 )( Y - T )
S=I+G-T > S-I=G-T
> IS-Relatie = I = S + T - G ( Investeringen = Particulier spaarsaldo + overheidsspaarsaldo )
Financiële markten: > Geld als: Ruilmiddel, Meeteenheid, Waardeopslag
- Giraal geld = Bankrekening & Chartaal geld = Munten + Biljetten
> Twee typen:
Liquide = Geld, aanhouden om aankopen te doen (geen opbrengsten)
Illiquide = Obligaties (rente-opbrengsten)
> Geldvraag = Md = Deel dat mensen in vorm van GELD willen houden
Neemt toe als Y toeneemt; Grotere wil om goederen = meer geldvraag
Neemt toe als Rente i afneemt; Obligaties minder opbrengsten
> Md = $YL(i)
$Y = Nominaal inkomen, Y = Reëel inkomen, L(i) = Liquiditeitsvoorkeur (functie van rente)
> Evenwicht: Md = Ms
Vraag naar geld = Aanbod van geld; Ms gegeven door Centrale Bank
> Rente i verandert om evenwicht terug te brengen
> Als de rente daalt gaat de prijs van een obligatie omhoog > Liever geld aanhouden!
> Centrale Bank beïnvloedt de geldhoeveelheid door het kopen van obligaties;
Vraag obligaties stijgt > Prijzen stijgen > Rente omlaag > Meer geldvraag
Commerciële Banken: Gebruiken spaargeld om leningen te verscha en
- Moeten een Reserve aanhouden (Theta 0-)
- Lagere reserve Ratio = Hogere multiplier van geldverhoging
Hoorcollege 3 IS/LM Model (= Korte Termijn)
> Evenwichten: Vraag = Output & Geldvraag = Geldaanbod
IS Relatie: Investeringen I = Besparingen S (afhankelijk van i en Y)
LM Relatie: M = $YL(i)
> IS Relatie: Y = C1( Y - T ) + C0 + I(Y, i) + G
> IS => Invloed van i op Y — i stijgt? Y omlaag (lagere investeringen) / i daalt? Y omhoog (I
omhoog)
> Verschuivingen LANGS IS: Verandering van i zorgt voor andere Y
> Verschuivingen VAN IS: Niet in i of Y — Autonome bestedingen nemen toe (Co, G, T)
> LM Relatie: M/P = Y L(i)
Neemt Y toe? Rente stijgt (meer geldvraag). Afname van Y? Rente zal dalen om evenwicht
> Verschuivingen LANGS LM: Verandering in i door andere Y
> Verschuivingen VAN LM: Verandering in de Geldhoeveelheid (Ms) (Centrale Bank)
— ff
Samenvatting Hoorcolleges
Samenvatting Boek
“ Macroeconomics, a European Perspective, selected chapters from 2nd edition ”
— Pearson (CU Hooijdonk & Blanchard)
Radboud Universiteit Nijmegen
Yoël Guijt
e
, Hoorcollege 1 Inleiding
> Macro-economie = Economisch systeem als geheel, met onderscheid op de korte, midden en
lange termijn
> Belangrijkste indicatoren:
- BBP (Output), Werkloosheid, In atie (rente/schuld/spaarquote/etc) en Aggregatie
1) BBP (Y)
> BBP = Alle bestedingen aan goederen en diensten / Toegevoegde waarde in een jaar /
Inkomens tijdens een jaar
> Benaderingen:
Productiekant: Vanuit totale bestedingen / Totale toegevoegde waarde
Inkomenskant: Bestedingen in de inkomensrekening
> Nominaal BBP: Current prices VS Reëel BBP: Constant Prices (in atie-gecorrigeerd)
2) Werkloosheid (u)
> Beroepsbevolking L = Werkgelegenheid N + Werkloosheid U
- Werkloosheidspercentage = U/L
- Participatiegraad = L / O (populatie)
> ‘U’ zegt wat over de stand van de economie (ook persoonlijk: moreel, criminaliteit, etc.)
3) In atie (PI)
> In atie = Snelheid waarmee prijzen of prijspeil toeneemt
> CPI (=gemiddelde prijs van een mandje) / BBP De ator (=gemiddelde prijs van totale output)
Termijnen:
> Kort = 1-3 jaar. Puur vraag gedreven, output veranderingen
> Middellang = 3-10 jaar. Output terug naar natuurlijk punt (via aanbodkant)
> Lang = 10 tot 30/40/50 jaar. Technologische groei en Besparingen
Hoorcollege 2 — Goederenmarkt en Financiële markt
Goederenmarkt: Z = C + I + G + (X - M)
> Consumptie C =
Functie van: Besteedbaar inkomen C1(Y - T), maar ook autonoom C0
> Investeringen I =
Functie van: Totale output Y en rente i , maar ook autonoom Io
> Overheidsuitgaven G ook exogeen (hoeft niet per se) = G en T zijn gegeven
> Evenwicht in goederenmarkt: Z = Y (vraag = output), dus Z = Y in de functie
> Y = (1/1-C1) * (C0 + I + G - C1T)
( - C1) = Multiplier van de economie
Meer dan 1-op-1 stijging of daling van de economie!
flfl — fl fl fl
, > Goederenmarkt via de Spaarkant:
S = Yd - C > S = Y - T - C > S = -C0 + ( - c1 )( Y - T )
S=I+G-T > S-I=G-T
> IS-Relatie = I = S + T - G ( Investeringen = Particulier spaarsaldo + overheidsspaarsaldo )
Financiële markten: > Geld als: Ruilmiddel, Meeteenheid, Waardeopslag
- Giraal geld = Bankrekening & Chartaal geld = Munten + Biljetten
> Twee typen:
Liquide = Geld, aanhouden om aankopen te doen (geen opbrengsten)
Illiquide = Obligaties (rente-opbrengsten)
> Geldvraag = Md = Deel dat mensen in vorm van GELD willen houden
Neemt toe als Y toeneemt; Grotere wil om goederen = meer geldvraag
Neemt toe als Rente i afneemt; Obligaties minder opbrengsten
> Md = $YL(i)
$Y = Nominaal inkomen, Y = Reëel inkomen, L(i) = Liquiditeitsvoorkeur (functie van rente)
> Evenwicht: Md = Ms
Vraag naar geld = Aanbod van geld; Ms gegeven door Centrale Bank
> Rente i verandert om evenwicht terug te brengen
> Als de rente daalt gaat de prijs van een obligatie omhoog > Liever geld aanhouden!
> Centrale Bank beïnvloedt de geldhoeveelheid door het kopen van obligaties;
Vraag obligaties stijgt > Prijzen stijgen > Rente omlaag > Meer geldvraag
Commerciële Banken: Gebruiken spaargeld om leningen te verscha en
- Moeten een Reserve aanhouden (Theta 0-)
- Lagere reserve Ratio = Hogere multiplier van geldverhoging
Hoorcollege 3 IS/LM Model (= Korte Termijn)
> Evenwichten: Vraag = Output & Geldvraag = Geldaanbod
IS Relatie: Investeringen I = Besparingen S (afhankelijk van i en Y)
LM Relatie: M = $YL(i)
> IS Relatie: Y = C1( Y - T ) + C0 + I(Y, i) + G
> IS => Invloed van i op Y — i stijgt? Y omlaag (lagere investeringen) / i daalt? Y omhoog (I
omhoog)
> Verschuivingen LANGS IS: Verandering van i zorgt voor andere Y
> Verschuivingen VAN IS: Niet in i of Y — Autonome bestedingen nemen toe (Co, G, T)
> LM Relatie: M/P = Y L(i)
Neemt Y toe? Rente stijgt (meer geldvraag). Afname van Y? Rente zal dalen om evenwicht
> Verschuivingen LANGS LM: Verandering in i door andere Y
> Verschuivingen VAN LM: Verandering in de Geldhoeveelheid (Ms) (Centrale Bank)
— ff