Tess Prins
Leerstof SE2 VWO 5
DNA, Planten, Gedrag
DNA
De bouw en functie van DNA
Het geheel aan erfelijke informatie in een cel noem je het genoom en dat is in alle cellen van
een organisme hetzelfde.
Bij eukaryoten (dieren, schimmels en planten) is het genoom:
• Alle chromosomen in de celkern (kernDNA)
• Al het DNA in mitochondriën (mtDNA)
• Het DNA in chloroplasten (bij planten natuurlijk)
Bij prokaryoten (eencellige organismen) is het genoom:
• Al het DNA dat los in het cytoplasma van de cel voorkomt
• Het is circulair dna (geen uiteinden, het is een rondje)
• Plasmiden, dit zijn korte stukjes circulair DNA.
Een ribosoom is een onderdeel van de cel dat eiwitten maakt. De kopie van DNA op mRNA
vertaalt de ribosoom naar een aminozuurvolgorde waaruit een eiwit ontstaat.
Een DNA-molecuul is een nucleïnezuur deze bestaat uit twee ketens aan elkaar gekoppelde
nucleotiden. En deze nucleotide is opgebouwd uit de monosacharide desoxyribose een
fosfaatgroep en een stikstofbase. De stikstofbasen zijn adenine (A), thymine (T), cytosine (C)
en guanine (G).
, Tess Prins
Desoxyribose (suiker) heeft 5 C-atomen en creëert een 5’ en een 3’ uiteinde waar andere
nucleotiden aan vast binden. De fosfaatgroep is het 5’ uiteinde en de OH-groep is het 3’
uiteinde. De stikstofbasen worden door basenparing aan elkaar verbonden aan een vaste
bindingspartner. A is samen met T en C is samen met G. De volgorde waarin A,T,C,G
(nucleotiden) zijn gerangschikt in een DNA-molecuul noem je de sequentie.
Je hebt heel veel DNA en dit zit op een bepaalde manier opgerold in een chromosoom. DNA
wordt om histonen gewikkeld, dit hoopje histonen met DNA noem je een nucleosoom. Deze
nucleosomen worden opgerold tot spiraal tot dikke draad.
Niet al het DNA in een cel is nuttig, heel veel DNA is niet-coderend DNA en hiervan weten
we het nut nog niet, dus zeggen we dat het geen functie heeft. Ongeveer 98,5% van het
Leerstof SE2 VWO 5
DNA, Planten, Gedrag
DNA
De bouw en functie van DNA
Het geheel aan erfelijke informatie in een cel noem je het genoom en dat is in alle cellen van
een organisme hetzelfde.
Bij eukaryoten (dieren, schimmels en planten) is het genoom:
• Alle chromosomen in de celkern (kernDNA)
• Al het DNA in mitochondriën (mtDNA)
• Het DNA in chloroplasten (bij planten natuurlijk)
Bij prokaryoten (eencellige organismen) is het genoom:
• Al het DNA dat los in het cytoplasma van de cel voorkomt
• Het is circulair dna (geen uiteinden, het is een rondje)
• Plasmiden, dit zijn korte stukjes circulair DNA.
Een ribosoom is een onderdeel van de cel dat eiwitten maakt. De kopie van DNA op mRNA
vertaalt de ribosoom naar een aminozuurvolgorde waaruit een eiwit ontstaat.
Een DNA-molecuul is een nucleïnezuur deze bestaat uit twee ketens aan elkaar gekoppelde
nucleotiden. En deze nucleotide is opgebouwd uit de monosacharide desoxyribose een
fosfaatgroep en een stikstofbase. De stikstofbasen zijn adenine (A), thymine (T), cytosine (C)
en guanine (G).
, Tess Prins
Desoxyribose (suiker) heeft 5 C-atomen en creëert een 5’ en een 3’ uiteinde waar andere
nucleotiden aan vast binden. De fosfaatgroep is het 5’ uiteinde en de OH-groep is het 3’
uiteinde. De stikstofbasen worden door basenparing aan elkaar verbonden aan een vaste
bindingspartner. A is samen met T en C is samen met G. De volgorde waarin A,T,C,G
(nucleotiden) zijn gerangschikt in een DNA-molecuul noem je de sequentie.
Je hebt heel veel DNA en dit zit op een bepaalde manier opgerold in een chromosoom. DNA
wordt om histonen gewikkeld, dit hoopje histonen met DNA noem je een nucleosoom. Deze
nucleosomen worden opgerold tot spiraal tot dikke draad.
Niet al het DNA in een cel is nuttig, heel veel DNA is niet-coderend DNA en hiervan weten
we het nut nog niet, dus zeggen we dat het geen functie heeft. Ongeveer 98,5% van het