Oefenvragen
Domein 6: Stellen
1. In welke activiteiten wordt het schrijven van een tekst gesplitst?
A)
- bepalen doel, publiek en tekstsoort;
- verzamelen, selecteren en ordenen inhoud;
- structureren;
- formuleren van zinnen en alinea’s;
- reviseren;
- verzorgen van spelling en opmaak.
B)
- bepalen doel, publiek en tekstsoort;
- verzamelen, selecteren en ordenen inhoud;
- reviseren;
- formuleren van zinnen en alinea’s;
- structureren;
- verzorgen van spelling en opmaak.
C)
- bepalen doel, publiek en tekstsoort;
- verzamelen, selecteren en ordenen inhoud;
- formuleren van zinnen en alinea’s;
- reviseren;
- structureren;
- verzorgen van spelling en opmaak.
Juiste antwoord: A.
2. Kinderen verwerven deze vaardigheden (uit vraag 1) vanzelf. Is dit waar of niet waar?
A) Waar
B) Niet waar
Juiste antwoord: B. Beginnende schrijvers (basisschoolleerlingen) verwerven deze vaardigheden niet
vanzelf. Elke vaardigheid moet de leraar expliciet benoemen, uitleggen en voordoen. Op die manier
laat hij zien hoe de leerling een bepaald probleem binnen het schrijfproces kan aanpakken.
, 3. Binnen het schrijven kun je twee overkoepelende aanpakken onderscheiden: het
vertellende schrijven en het denkende schrijven. Welke aanpak past bij de ervaren
schrijver?
A) Vertellend schrijven
B) Denkend schrijven
C) Geen van beide
Juiste antwoord: B. De aanpak van het denkend schrijven is kenmerkend voor de ervaren schrijver,
die niet alleen schrijft om te communiceren, maar ook om greep te krijgen op een bepaald
onderwerp.
4. Binnen het schrijven kun je twee overkoepelende aanpakken onderscheiden: het
vertellende schrijven en het denkende schrijven. Wat is kenmerkend voor het vertellend
schrijven?
A) De schrijver denkt eerst goed na voor hij begint met schrijven
B) De schrijver denkt eerst goed na over het schrijfdoel
C) De schrijver begint meteen met schrijven
Juiste antwoord: C. De aanpak van het vertellend schrijven is kenmerkend voor beginnende
schrijvers. Schrijven is voor hen vooral praten op papier en ze beginnen meteen met schrijven.
5. Binnen het schrijven kun je twee overkoepelende aanpakken onderscheiden: het
vertellende schrijven en het denkende schrijven. Bij welke schrijfstijl wordt de structuur
van een tekst bepaald door de loop van de gebeurtenissen (en toen – en toen)?
A) Vertellend schrijven
B) Denkend schrijven
C) Geen van beide
Juiste antwoord: A.
6. Voor het schrijven van een tekst zijn verschillende stelvaardigheden nodig. Eén van deze
vaardigheden is het reviseren. Wat bedoelt men hiermee?
A) Het opmaken van de tekst
B) Het herlezen van je eigen tekst en het bijstellen indien nodig
C) Het verzamelen van informatie voor de inhoud van de tekst
Juiste antwoord: B. Bij het reviseren draait het om het herlezen van je geschreven tekst. Je moet je
voortdurend afvragen of de lezer zal begrijpen wat hij bedoelt, of de opbouw van de tekst in orde is,
of de formulering klopt en of de zinnen goed op elkaar aansluiten. Het resultaat is vaak dat je de
tekst aanpast en bijstelt. Het kan tijdens het schrijven plaatsvinden of daarna.
7. De schrijver geeft zijn tekst een bepaalde opbouw of structuur. Wat past bij een
stapelstructuur?
A) Een boodschappenlijstje
B) Een sprookje
C) Een informatief boek
Juiste antwoord: A. Bij een stapelstructuur bestaat een tekst uit min of meer losse onderdelen.
Domein 6: Stellen
1. In welke activiteiten wordt het schrijven van een tekst gesplitst?
A)
- bepalen doel, publiek en tekstsoort;
- verzamelen, selecteren en ordenen inhoud;
- structureren;
- formuleren van zinnen en alinea’s;
- reviseren;
- verzorgen van spelling en opmaak.
B)
- bepalen doel, publiek en tekstsoort;
- verzamelen, selecteren en ordenen inhoud;
- reviseren;
- formuleren van zinnen en alinea’s;
- structureren;
- verzorgen van spelling en opmaak.
C)
- bepalen doel, publiek en tekstsoort;
- verzamelen, selecteren en ordenen inhoud;
- formuleren van zinnen en alinea’s;
- reviseren;
- structureren;
- verzorgen van spelling en opmaak.
Juiste antwoord: A.
2. Kinderen verwerven deze vaardigheden (uit vraag 1) vanzelf. Is dit waar of niet waar?
A) Waar
B) Niet waar
Juiste antwoord: B. Beginnende schrijvers (basisschoolleerlingen) verwerven deze vaardigheden niet
vanzelf. Elke vaardigheid moet de leraar expliciet benoemen, uitleggen en voordoen. Op die manier
laat hij zien hoe de leerling een bepaald probleem binnen het schrijfproces kan aanpakken.
, 3. Binnen het schrijven kun je twee overkoepelende aanpakken onderscheiden: het
vertellende schrijven en het denkende schrijven. Welke aanpak past bij de ervaren
schrijver?
A) Vertellend schrijven
B) Denkend schrijven
C) Geen van beide
Juiste antwoord: B. De aanpak van het denkend schrijven is kenmerkend voor de ervaren schrijver,
die niet alleen schrijft om te communiceren, maar ook om greep te krijgen op een bepaald
onderwerp.
4. Binnen het schrijven kun je twee overkoepelende aanpakken onderscheiden: het
vertellende schrijven en het denkende schrijven. Wat is kenmerkend voor het vertellend
schrijven?
A) De schrijver denkt eerst goed na voor hij begint met schrijven
B) De schrijver denkt eerst goed na over het schrijfdoel
C) De schrijver begint meteen met schrijven
Juiste antwoord: C. De aanpak van het vertellend schrijven is kenmerkend voor beginnende
schrijvers. Schrijven is voor hen vooral praten op papier en ze beginnen meteen met schrijven.
5. Binnen het schrijven kun je twee overkoepelende aanpakken onderscheiden: het
vertellende schrijven en het denkende schrijven. Bij welke schrijfstijl wordt de structuur
van een tekst bepaald door de loop van de gebeurtenissen (en toen – en toen)?
A) Vertellend schrijven
B) Denkend schrijven
C) Geen van beide
Juiste antwoord: A.
6. Voor het schrijven van een tekst zijn verschillende stelvaardigheden nodig. Eén van deze
vaardigheden is het reviseren. Wat bedoelt men hiermee?
A) Het opmaken van de tekst
B) Het herlezen van je eigen tekst en het bijstellen indien nodig
C) Het verzamelen van informatie voor de inhoud van de tekst
Juiste antwoord: B. Bij het reviseren draait het om het herlezen van je geschreven tekst. Je moet je
voortdurend afvragen of de lezer zal begrijpen wat hij bedoelt, of de opbouw van de tekst in orde is,
of de formulering klopt en of de zinnen goed op elkaar aansluiten. Het resultaat is vaak dat je de
tekst aanpast en bijstelt. Het kan tijdens het schrijven plaatsvinden of daarna.
7. De schrijver geeft zijn tekst een bepaalde opbouw of structuur. Wat past bij een
stapelstructuur?
A) Een boodschappenlijstje
B) Een sprookje
C) Een informatief boek
Juiste antwoord: A. Bij een stapelstructuur bestaat een tekst uit min of meer losse onderdelen.