HC1:
1. Wat is een andere naam voor bovendruk en vanaf welke waarde is er sprake van
hypertensie?
2. Wat is een andere naam voor onderdruk en vanaf welke waarden is er sprake van
hypertensie?
3. Wanneer is er sprake van een geïsoleerde verhoogde bovendruk?
4. Wat is witte jassen hypertensie?
5. Wat betekent prevalentie?
6. Wat is het verschil tussen mannen en vrouwen wat betreft verhoogde bloeddruk?
7. Noem 4 cardiovasculaire risico’s veroorzaakt door een verhoogde bloeddruk en waardoor ze
worden veroorzaakt.
8. Noem 10 risicofactoren voor het ontstaan van een verhoogde bloeddruk.
9. Wat geldt er wanneer je meerdere risicofactoren samen hebt?
10. Wat is de definitie van primaire en secundaire hypertensie?
11. Noem 2 systemen die zorgen voor vasodilatatie van de vaten.
12. Noem 3 systemen die zorgen voor vasoconstrictie van de vaten.
13. Wat is de definitie van een ganglion?
14. Waar bevinden sympatische ganglionen zich vaak? En parasympatische?
15. Wat kun je zeggen over de lengte van de preganglionische en postganglionische neuronen bij
het sympatisch systeem? En het parasympatisch systeem?
16. Noem een belangrijk verschil tussen het sympatisch en parasympatisch systeem.
17. Benoem de drie systemen op onderstaand plaatje.
18. Noem de twee belangrijkste neurotransmitters in het autonome systeem.
19. Preganglionische neuronen zijn altijd ….
20. Postganglionische parasympatische neuronen zijn altijd …
21. Postganglionische sympatische neuronen zijn altijd …
22. Wat is bij de postganglionische sympatische neuronen de uitzondering?
23. Wat is de definitie van een arteriole?
, 24. Welke 4 organen worden uitsluitend sympatisch gereguleerd?
25. Welke 3 organen worden zowel sympatisch als parasympatisch gereguleerd? Wat is hierbij
een twijfelgeval?
26. Noem een presynaptische effect van alfa 2 receptoren.
27. Wat zijn algemene effecten op de vaattonus van het stimuleren van beta 2, alfa 1, alfa 2 en
waar bevinden ze zich vooral?
28. Wat zijn de algemene effecten van beta 1 receptoren en waar bevinden ze zich vooral?
29. Wat zijn de algemene effecten van beta 2 receptoren en waar bevinden ze zich vooral?
30. Wat zijn de algemene effecten van M2 en M3 receptoren en waar bevinden ze zich vooral?
31. Geef van het hart, de arteriolen, de bronchiën, de zweetklieren, de nieren, de bijnieren en de
speekselklieren de volgende informatie:
Sympatisch Sympatisch Parasympatisch Parasympatisch
Ligging ganglion, Neurotransmitter Ligging ganglion, Neurotransmitter
ganglionaire + receptor + ganglionaire + receptor +
neurotransmitter effect neurotransmitter effect
+ receptor + + receptor +
effect effect
(preganglionisch) (postganglionisch (preganglionisch) (postganglionisch
) )
32. Geef van de beta 1 en beta 2 receptoren de signaaltransductieroute.
33. Geef van de alfa 1 en alfa 2 receptoren de signaaltransductieroute.
34. Geef van de M2 en M3 receptoren de signaaltransductieroute.
35. Welke 4 globale effecten heeft het sympatisch zenuwstelsel?
36. Wat zijn globale effecten van het parasympatisch zenuwstelsel?
37. Wat is de invloed van het somatische zenuwstelsel op spiercontractie?
38. Wat is de definitie van het slagvolume?
39. Wat is de definitie van de hartfrequentie?
40. Wat is de definitie van de cardiac output (hartminuutvolume)?
41. Door welke twee factoren wordt de cardiac output (hartminuutvolume) bepaald? Welke
formule hoort daarbij?
42. Welke receptoren zorgen voor verhoging van de CO? En welke voor verlaging?
43. Wat is de definitie van het einddiastolisch volume? En van het eindsystolisch volume?
44. Wat is de formule van het slagvolume?
45. Wat is de definitie van de totale perifere weerstand (systemische vasculaire weerstand)?
46. Welke receptoren zorgen voor verhoging van de totale perifere weerstand? En welke voor
verlaging?
47. Wat is de definitie van compliantie?
48. Wat is de definitie van centraal veneuze druk?
49. Wat is de formule van de gemiddelde arteriële bloeddruk?
50. Wat is de definitie van preload?
51. Wat is de definitie van afterload?
52. Wat is de definitie van inotropie?
53. Wat is de definitie van chronotropie?
HC2:
1. Benoem de onderdelen van het hart:
,2. Benoem de onderdelen:
3. Welke kleppen staan open tijdens diastole? En welke tijdens systole?
4. Benoem de onderdelen:
, 5. Waarom is de linkerventrikel zo gespierd?
6. Benoem de onderdelen.
7. Wat gebeurt er bij de p-golf? En bij de QRS-piek? En bij de T-golf?
8. Door welke twee dingen wordt de hartfrequentie veroorzaakt?
9. Wat is er bijzonder aan de SA-knoop (sinoatriale knoop)?
10. Hoe verloopt de prikkelgeleiding?
11. Door welke twee zenuwen kan de hartfrequentie worden geregeld en wat gebeurt er bij
elke?
12. Wat is de samenhang tussen een actiepotentiaal en contractie? Noem 3 dingen.
13. Welke algemene functie hebben T-tubuli?
14. Wat zijn normale waarden voor het slagvolume en frequentie?
15. Wat zijn normale waarden voor het eind diastolisch en eind systolisch volume?
16. Wat is de definitie van ischemie?
17. Door welke twee dingen kan positieve inotropie worden veroorzaakt?
18. Door welke drie dingen kan negatieve inotropie worden veroorzaakt?