Het met begrip vastgoedmarkt bedoelen we de totale vraag naar en het totale aanbod van
goederen, in dit geval bijvoorbeeld huizen of kantoren.
De vastgoedmarkt bestaat niet, er zijn allemaal verschillende kleinere
vastgoed(deel)markten.
Welvaart is de mate waarin de spanning tussen behoeften en beperkte middelen is
opgeheven.
Met andere woorden op het moment dat mensen over veel goederen en diensten
beschikken om hun behoeften te bevredigen is er sprake van een hoge welvaart.
Behoefte: menselijk verlangen waaraan voldaan wordt door de beschikking over schaarse
goederen en diensten.
Behoeften kunnen wij onderverdelen in de volgende punten:
Primaire behoeften zoals voedsel, onderdak en kleding.
Stoffelijke behoeften (tastbare goederen) zoals auto’s.
Onstoffelijke behoeften (niet-tastbare goederen) zoals dienstverlening.
Individuele behoeften zoals muziek en mode.
Collectieve behoeften (behoeften die bij groepen consumenten bestaan, maar lastig
individueel in zijn te voorzien door de consument) zoals onderwijs, rechtspraak en
veiligheid.
De collectieve sector bestaat uit het rijk, lagere overheden en de
socialezekerheidsinstellingen.
De verschillende productiefactoren:
Natuur (klassieke productiefactor)
Arbeid (klassieke productiefactor)
Kapitaal(goederen) (klassieke productiefactor)
Informatie
Ondernemerschap
In de meest vereenvoudigde versie van een economische kringlooptheorie (gesloten
economie zonder overheid, investeringen, besparingen en buitenland) veronderstellen
economen dat gezinshuishoudingen (consumenten) alle productiefactoren in handen
hebben en inkomen verkrijgen uit het ter beschikking stellen van productiefactoren aan
bedrijven (die deze vervolgens gebruiken voor productie van goederen en diensten aan deze
gezinshuishoudingen en daar weer geld voor ontvangen → inkomen voor
bedrijfshuishoudingen).
Natuur zorgt voor pacht. Arbeid zorgt voor loon of winst uit ondernemerschap en
kapitaal(goederen) zorgen voor inkomsten uit bijvoorbeeld verhuur van een gebouw.
Het nominaal inkomen is het inkomen in absolute waarde bijvoorbeeld 2.200 euro per
maand.
,Het reëel inkomen is het inkomen uitgedrukt in de hoeveelheden goederen die zij hiermee
kunnen kopen. Ofwel koopkracht.
Wat doet de overheid met haar inkomen (uit bijvoorbeeld belasting)
Collectieve behoeften zoals onderwijs, veiligheid, etc..
(Consumptie door de overheid zelf.)
Inkomensvoorziening voor behoeftigen, zoals uitkeringen.
Productie: geschikt maken van goederen en diensten voor gebruik.
De aanbieders van producten zijn bedrijven maar ook zeker overheden.
Deze productie vindt plaats met behulp van productiefactoren: Natuur, arbeid en kapitaal.
Voorbeeld:
Ondernemerschap wordt ook wel gezien als vierde productiefactor (als bijzondere vorm van
de productiefactor arbeid). De ondernemer is degene die de voorgaande drie
productiefactoren combineert met als gevolg dat er goederen en diensten worden geleverd,
dat er inkomen wordt gegenereerd (winst en loon) en dat daardoor ook weer producten
worden gekocht → er ontstaat een (eenvoudige) economische kringloop.
Resultaat van productie bij bedrijven kan zijn:
Consumptiegoederen (brood, droger, televisie, etc. door huishoudens aangeschaft)
Kapitaalgoederen (gebouwen, machines, etc. om te kunnen produceren) →
investeringen
, Uitgaven zijn bestedingen.
Centraal geleide planeconomie; Sterk aanwezige overheid
Vrijemarkteconomie; Zwak aanwezige overheid
Georiënteerde markteconomie. Overheid reguleert in een vrijemarkteconomie
Macro- economie: Nederland of grotere verbanden (bijv. EU)
Meso – economie: Bedrijfstak
Micro – economie: Individuele consumenten en bedrijven
Binnenlandse indicatoren op macroniveau
Groei bruto binnenlands product
Conjuncturele situatie
Index consumentenvertrouwen
Ontwikkeling werkloosheid, lonen en arbeidsproductiviteit
Prijsontwikkeling
Orderportefeuille bedrijven
Buitenlandse indicatoren op macroniveau
Renteontwikkelingen
Ontwikkeling export en import
Ontwikkeling wisselkoersen
Verloop van de dollarkoers
Ontwikkeling energieprijzen
Conjunctuur is een meerjarige ontwikkeling van een economische activiteit in een land,
afgemeten aan de nationale productie (= BBP (bruto binnenlands product)) van dat land.
Het gaat hier om de aanbodzijde van de economie.