Lotte Waldram (2729236) 30-10-2021
Werkgroep Antigeenpresentatie
1. Een “antigeen-presenterende cel” is een cel die antigenen (oftewel een peptidefragment van een
pathogeen of een eigen cel) gefagocyteerd hebben. Antigeen presentatie houdt dus in dat deze
antigenen op hun membraan aan T-cellen worden gepresenteerd. Door de peptide-antigenen te
binden met een MHC-molecuul kunnen de cellen met behulp van dit MHC de antigenen presenteren.
2. Zowel macrofagen, B-cellen en dendritische cellen kunnen antigenen presenteren. Maar eigenlijk
kunnen alle cellen met een MHC antigenen presenteren dus dat zijn vrijwel alle cellen in het lichaam
(behalve rode bloedcellen).
3. B-cellen zijn allereerst te vinden in het beenmerg en daarna in secundaire lymfoïde weefsels (milt,
appendix, lymfeknopen, etc.). De dendritische cellen en de macrofagen zijn te vinden in het
lichaamsweefsel maar op het moment dat er sprake is van een infectie zullen ook deze cellen zich
naar de lymfoïde weefsels verplaatsen (lymfestelsel speelt dus een grot rol).
4. De antigenen worden allereerst herkend door receptoren die zich op het membraan bevinden. Dit
verschilt per cel, zo hebben macrofagen en dendritische cellen onder andere een scavenger receptor,
mannosereceptor en glucanreceptor. B-cellen hebben daarentegen immunoglobulinereceptoren.
5. Op het moment dat het antigeen aan de receptor op de APC bindt wordt het startsein gegeven aan
de macrofaag om te gaan fagocyteren of endocyteren. De ongewenste bacterie wordt vervolgens in
een vesikel opgesloten om vervolgens in de lymfeklier in stukjes gemaakt te worden. Chemokimes
bepalen waar de APC via de lymfevaten heen moet. Om het immuun cellen te activeren of een
bepaald doel te geven worden cytokines gebruikt.
6. Internalisatie, de Toll like receptor route en het cytosolische en vesiculaire systeem.
7. De cellen die gebruik maken van MHC-moleculen kunnen antigenen presenteren (deze moeten
zich dan op het membraan bevinden). Er zijn MHC I en MHC II moleculen. De MHC I moleculen zijn
voor intracellulair en de MCH II voor extracellulair.
8. De antigenen worden gepresenteerd aan B- en T-cellen. B-cellen kunnen een heel antigen
herkennen en binden, maar T-cellen kunnen maar een klein gedeelte van het antigeen herkennen
(een peptide fragment dus).
9. Een T-cel heeft naast het gepresenteerd krijgen van een antigeen door een MHC nog een tweede
“activerings” signaal nodig (signaal 2). Hierdoor wordt de T-cel een mature T-cel. Dit wordt gedaan
door de T-cel aan een CD4 of CD8 molecuul te binden. Zo wordt het immuunrespons volledig
geactiveerd.
Werkgroep Antigeenpresentatie
1. Een “antigeen-presenterende cel” is een cel die antigenen (oftewel een peptidefragment van een
pathogeen of een eigen cel) gefagocyteerd hebben. Antigeen presentatie houdt dus in dat deze
antigenen op hun membraan aan T-cellen worden gepresenteerd. Door de peptide-antigenen te
binden met een MHC-molecuul kunnen de cellen met behulp van dit MHC de antigenen presenteren.
2. Zowel macrofagen, B-cellen en dendritische cellen kunnen antigenen presenteren. Maar eigenlijk
kunnen alle cellen met een MHC antigenen presenteren dus dat zijn vrijwel alle cellen in het lichaam
(behalve rode bloedcellen).
3. B-cellen zijn allereerst te vinden in het beenmerg en daarna in secundaire lymfoïde weefsels (milt,
appendix, lymfeknopen, etc.). De dendritische cellen en de macrofagen zijn te vinden in het
lichaamsweefsel maar op het moment dat er sprake is van een infectie zullen ook deze cellen zich
naar de lymfoïde weefsels verplaatsen (lymfestelsel speelt dus een grot rol).
4. De antigenen worden allereerst herkend door receptoren die zich op het membraan bevinden. Dit
verschilt per cel, zo hebben macrofagen en dendritische cellen onder andere een scavenger receptor,
mannosereceptor en glucanreceptor. B-cellen hebben daarentegen immunoglobulinereceptoren.
5. Op het moment dat het antigeen aan de receptor op de APC bindt wordt het startsein gegeven aan
de macrofaag om te gaan fagocyteren of endocyteren. De ongewenste bacterie wordt vervolgens in
een vesikel opgesloten om vervolgens in de lymfeklier in stukjes gemaakt te worden. Chemokimes
bepalen waar de APC via de lymfevaten heen moet. Om het immuun cellen te activeren of een
bepaald doel te geven worden cytokines gebruikt.
6. Internalisatie, de Toll like receptor route en het cytosolische en vesiculaire systeem.
7. De cellen die gebruik maken van MHC-moleculen kunnen antigenen presenteren (deze moeten
zich dan op het membraan bevinden). Er zijn MHC I en MHC II moleculen. De MHC I moleculen zijn
voor intracellulair en de MCH II voor extracellulair.
8. De antigenen worden gepresenteerd aan B- en T-cellen. B-cellen kunnen een heel antigen
herkennen en binden, maar T-cellen kunnen maar een klein gedeelte van het antigeen herkennen
(een peptide fragment dus).
9. Een T-cel heeft naast het gepresenteerd krijgen van een antigeen door een MHC nog een tweede
“activerings” signaal nodig (signaal 2). Hierdoor wordt de T-cel een mature T-cel. Dit wordt gedaan
door de T-cel aan een CD4 of CD8 molecuul te binden. Zo wordt het immuunrespons volledig
geactiveerd.