2.2.2, 3.2 t/m 3.4 & 4.2
Fantasie is spel. In fantasie reageren kinderen vanuit innerlijke behoeftes op de
dingen die in de leefwereld op hen afkomen. In fantasie gaan ze de confrontatie
aan met die dingen.
Een kind dat leest of vertelt, verwerkt net als in spel zijn ervaringen met de
omringende wereld.
Oudste kleuters houden van rijmpjes. Ze luisteren het liefst naar spannende
verhalen en lezen graag spannende boeken. Als kinderen veel voorgelezen
worden, kunnen ze op een speelse manier leren hoe spanning opgebouwd wordt.
Onverwachte reacties wekken spanning op en als kinderen dat doorhebben,
weten ze wanneer er een wending in het verhaal komt.
Ook leren ze dat de volgorde van gebeurtenissen belangrijk is en dat het een het
gevolg is van het ander.
Kinderen moeten op school gebruik kunnen maken van een gevarieerde collectie
prentenboeken.
Geïllustreerde verhalen vinden oudste kleuters leuk, evenals korte
voorleesverhalen. Dan kunnen ze woorden omzetten in beelden. Kinderen zullen
zelf dan ook komen met het verlangen om te leren lezen. Wanneer kinderen
kunnen rijmen, snappen ze dat woorden ook uit klanken bestaan en ze kunnen
veranderen. Dat is een voorwaarde voor het leren lezen.
Zoekboeken zijn een goede manier om te leren lezen. Ze moeten dan zoeken en
goed leren kijken. Bij letterbeelden moet dat ook.
Complementariteit = tekst en beeld vullen elkaar aan.
Bij vertellen van een verhaal, moet je rekening houden met verschillende dingen:
- Tempo, verstaanbaarheid en zinsmelodie
Spreektempo moet op een natuurlijke manier, zodat de articulatie duidelijk is
waardoor het verhaal goed te volgen is;
- Stemgebruik en non- verbale expressie
Ieder kind moet je kunnen horen. Je zult dus je stemgebruik moeten
aanpassen aan de ruimte waarin je vertelt, zonder dat je deze forceert.
Probeer ook je stem expressief te gebruiken. Een verhaalfiguur wordt niet
alleen gekarakteriseerd door zijn woordkeus, maar ook op de manier waarop
hij praat;
- Oogcontact
De uitdrukkingen op het gezicht van de kinderen laten je precies weten hoe ze
het ervaren. Je moet daarvoor wel oogcontact blijven houden.
Tijdens het vertellen moet je zorgen voor een goede organisatievorm, starten en
afronden en evalueren. Desnoods door de kinderen laten doen in een
waarderingsschaal.
Als je voorleest, ben jij de bemiddelaar. Je brengt verhaal en publiek bij elkaar.
Bij het uitkiezen van een verhaal, houd je rekening met: doelgroep, doelen,
verhaalkeuze, verhaalstructuur, thema en wereldbeeld.
Een boek kun je niet aanpassen aan de doelgroep en je moet dan ook een goed
beeld hebben van de voorkennis. Bij vertellen minder. Bovendien kun je de
vertelling aanpassen aan de doelgroep.
Bij het kiezen van voorleesverhalen moet je rekening houden met de ervaring die
kinderen al met voorlezen hebben.