Minor Kinderen – Cursus C
,INHOUDSOPGAVE
Hoorcolleges ......................................................................................................................................... 3
Hoorcollege 1 “Cerebrale parese” ....................................................................................................... 3
Hoorcollege 2 “Hart- en longpathologie” .............................................................................................. 7
Hoorcollege 3 “SOLK bij kinderen” ...................................................................................................... 9
Hoorcollege 4 “Orthopedische aandoeningen” .................................................................................. 12
Hoorcollege 5 “Neuromusculaire aandoeningen bij kinderen” ........................................................... 13
Hoorcollege 6 “Spina bifida en OPBL” ............................................................................................... 17
Hoorcollege 7 “Syndromen” ............................................................................................................... 20
Hoorcollege 8 “Pediatrische cardiopulmonale aandoeningen” .......................................................... 25
Hoorcollege 9 “Spraak- en taalontwikkeling” ..................................................................................... 27
Werkcolleges ....................................................................................................................................... 29
Werkcollege 1 “Behandelen van spasticiteit bij kinderen met cerebrale parese” .............................. 29
Werkcollege 2 “Cerebrale parese en handfunctie” ............................................................................ 34
Werkcollege 3 “Orthopedie” ............................................................................................................... 38
Werkcollege 4 “Spina bifida en OPBL” .............................................................................................. 44
Werkcollege 5 “Downsyndroom en hypotonie” .................................................................................. 47
2
,HOORCOLLEGES
HOORCOLLEGE 1 “CEREBRALE PARESE”
Cerebrale parese zijn ‘aandoeningen in de ontwikkeling van beweging- en houdingsregulatie
die activiteiten beperken en veroorzaakt worden door non-progressieve laesies in het zich ont-
wikkelende centrale zenuwstelsel van de foetus of het pasgeboren kind’. Vaak komt cerebrale
parese in combinatie met problemen in de:
§ Zintuigelijke waarneming (visus, gehoor); § Voeding;
§ Cognitie; § Gedrag;
§ Communicatie; § Epileptische stoornis.
§ Perceptie;
Risicofactoren
Cerebrale parese is een heterogene aandoening in etiologie, uitingsvorm en ernst. Risicofac-
toren voor het ontstaan zijn:
§ Beschadiging of abnormale ontwikkeling van het brein: vanaf conceptie tot 1 jaar. Min-
der dan 10% ontstaat tijdens de geboorte;
§ Prematuriteit (< 37 weken) of postmaturiteit (> 42 weken);
§ Periventriculaire leucomalacie: beschadiging van de witte stof, graad 1-4. < 33 weken,
38% PLV;
§ Peri- en intraventriculaire hemorragie;
§ Cerebrale infecties.
Hierdoor ontstaan malformaties en/of laesies van de hersenen. De plaats en de uitgebreidheid
bepalen de ernst.
Geboorte
Normaal wordt een baby geboren bij een termijn van 37 en 42 weken. In 7-8 van de gevallen
is er sprake van een premature geboorte. Het protocol bij een dreigende vroeggeboorte is
afhankelijk van de termijn van de zwangerschap.
Termijn zwangerschap Maatregelen
24-34 weken § Stimuleren van longrijping;
§ Injecties met corticosteroïden;
§ Weeënremmers;
§ 24-48 uur;
§ Baby opgenomen in NICU.
34-36 weken § Corticosteroïden geen meerwaarde;
§ Geen weeënremmers;
§ Opname couveuse afdeling.
36-37 weken § Bevalling in het ziekenhuis;
§ Controle kinderarts;
§ Naar huis of opname in het ziekenhuis.
Prevalentie
Cerebrale parese komt meer voor bij kinderen die prematuur geboren zijn. Hoe vroeger een
kind is geboren, hoe groter de kans is op het krijgen van cerebrale parese. Met name baby’s
die met minder dan achtentwintig weken zijn geboren lopen een groot risico (ongeveer 100 op
de 1000 kinderen).
Indeling op klinische kenmerken
Er kan een onderscheid worden gemaakt tussen verschillende typen cerebrale parese. De
klinische kenmerken kunnen worden onderverdeeld in:
§ Spastische cerebrale parese; § Atactische cerebrale parese;
3
, § Dyskinetische cerebrale parese; § Gemend type.
Spasticiteit
De spiertonus wordt hoofdzakelijk geregeld door de output van het alfa-motorneuron. Dit neu-
ron ontvangt zowel inhiberende signalen (GABA-signalen) van de hersenen als exciterende
informatie van de spieren en de huid. Door beschadiging van de hersenen komt er onvol-
doende GABA (gamma-ambinoboterzuur) vrij: dit is een neurotransmitter in het ruggenmerg.
Het niet in balans zijn van deze inhiberende en exciterende signalen resulteert in een ver-
hoogde spiertonus.
Spastische bewegingsstoornissen kunnen worden onderverdeeld in snelheidsafhankelijke
weerstand:
1. Stoornissen in spieractivatie;
2. Stoornissen in spierstijfheid;
3. Stoornissen in spierlengte.
Piramidaal syndroom
De symptomen van het Piramidaal syndroom zijn:
§ Verhoogde myotatische reflexactiviteit § Knipmesfenomeen;
(monosynaptisch); § Abnormale primaire posturele
§ Clonus; reflexen;
§ Verlaagde of pathologische exterocep- § Parese;
tieve reflexactiviteit (polysnaptisch); § Synergiën;
§ Hypertonie; § Verlies van geïsoleerde wille-
§ Vergrote reflexogene zone; keurige bewegingen.
Vormen van spasticiteit
Verschillende vormen van spasticiteit zijn:
§ Dystonie; § Hyperreflex en clonus;
§ Unilaterale spasticiteit; § Ataxie;
§ Knipmes; § Choreo-ataxie.
Ataxie Spasticiteit Dyskinesie (dysto-
nie, athetose)
Hypertonie
Dronkemansgang
Weinig actieve bewegingen
in de getroffen extremiteit
Bewegingen erg ongericht
in snelheid, kracht, richting
en afstand
(Zeer) sterke tonuswisselin-
gen (hypo- hypertoon)
Bewegingen veelal in patro-
nen
Lage basis (houdings-)to-
nus
Onvoorspelbaar in actieve
bewegingen
Neiging tot (passieve) be-
wegingsbeperkingen
Bewegingen enigszins on-
gericht (qua snelheid,
kracht, richting, afstand)
4