Hoofdstuk 1
Verschillen werknemer en zelfstandig ondernemer:
- Een werknemer is in loondienst, en heeft een vast salaris. Een ondernemer moet
leven van de winst, en heeft geen vast salaris.
- Een werknemer is verzekerd tegen werkloosheid, een ondernemer krijgt niks bij
werkloosheid.
- Werknemers hebben vaak een pensioenverzekering. Ondernemers hebben dit vaak
niet, of ze moeten het zelf geregeld hebben.
- Een ondernemer ontvangt veel belastingvoordelen, iets wat een werknemer veel
minder krijgt.
Een onderneming starten:
1. Vergunningen.
2. Inschrijven bij handelsregister.
3. De administratie.
4. De vestigingsplaats.
5. De investeringsbegroting
6. De resultaten- of exploitatiebegroting
7. De liquiditeitsbegroting (uitgaven en ontvangsten)
8. De rechtsvorm
9. De verzekeringen
10. De financiering
11. Diversen (openen bankrekening, zoeken naar leveranciers, etc.)
Te vorderen BTW: Als je producten inkoopt bij een leverancier kun je per kwartaal de BTW
terugvragen bij de fiscus. (Bij bezittingen, staat op debetzijde)
Te betalen BTW: De BTW die het bedrijf per kwartaal moet betalen aan de fiscus. Vanwege
verkochte producten. (Schuld, staat op creditzijde)
Vlottende activa:
- Voorraden
- Debiteuren
- Nog te ontvangen bedragen
- Vooruitbetaalde bedragen
- Te vorderen BTW
- Liquide middelen
Vaste activa: Alle goederen waarin geld voor langer dan 1 jaar wordt vastgelegd, vast
kapitaal.
Lang vreemd vermogen:
- De hypotheeklening of hypothecaire lening
- De onderhandse lening
Kort vreemd vermogen:
- Het rekening-courantkrediet (het krediet waarbij de onderneming tot een bepaald
maximumbedrag geld mag opnemen bij de bank)
, - Het ontvangen leverancierskrediet (het krediet dat je krijgt van je leveranciers)
- Het ontvangen afnemerskrediet (Het krediet dat je krijgt van de afnemer)
- Vooruit ontvangen bedragen
- Nog te betalen bedragen
- Te betalen BTW
Openingsbalans: Samenvoeging van de investeringsbegroting (debit) en de
financieringsbegroting (credit).
Voorbeeld openingsbalans:
Debet Credit
-------------------------------------------------------------------------------------------
Vaste activa I Eigen vermogen
I
I Lang vreemd vermogen
Vlottende activa I
I Kort vreemd vermogen
Hoofdstuk 2
Balansmutaties: Verandering in de bezittingen
Brutowinst = omzet - inkoopwaarde van de verkochte goederen
Nettowinst = brutowinst - overige bedrijfskosten
Overige opmerkingen:
- Met een balanspost wordt een bepaalde bezitting, een bepaalde schuld of het eigen
vermogen bedoeld.
- Een opbrengst vergroot het eigen vermogen en kosten verlagen het eigen vermogen.
Mutatiebalans: In tegenstelling tot een openingsbalans, worden er op de mutatiebalans
alleen maar balansposten gezet die veranderen.
Voorbeeld mutatiebalans:
Debit Credit
------------------------------------------------------------------------------------------------------
Kas + €1.210,- I Eigen vermogen + €1.000,-
I Te betalen BTW + €210,-
---------------- I -----------------
+ €1.210,- I + €1.210,-
Jaarlijkse afschrijving = (aanschafwaarde-restwaarde) / aantal jaar
Verschillen werknemer en zelfstandig ondernemer:
- Een werknemer is in loondienst, en heeft een vast salaris. Een ondernemer moet
leven van de winst, en heeft geen vast salaris.
- Een werknemer is verzekerd tegen werkloosheid, een ondernemer krijgt niks bij
werkloosheid.
- Werknemers hebben vaak een pensioenverzekering. Ondernemers hebben dit vaak
niet, of ze moeten het zelf geregeld hebben.
- Een ondernemer ontvangt veel belastingvoordelen, iets wat een werknemer veel
minder krijgt.
Een onderneming starten:
1. Vergunningen.
2. Inschrijven bij handelsregister.
3. De administratie.
4. De vestigingsplaats.
5. De investeringsbegroting
6. De resultaten- of exploitatiebegroting
7. De liquiditeitsbegroting (uitgaven en ontvangsten)
8. De rechtsvorm
9. De verzekeringen
10. De financiering
11. Diversen (openen bankrekening, zoeken naar leveranciers, etc.)
Te vorderen BTW: Als je producten inkoopt bij een leverancier kun je per kwartaal de BTW
terugvragen bij de fiscus. (Bij bezittingen, staat op debetzijde)
Te betalen BTW: De BTW die het bedrijf per kwartaal moet betalen aan de fiscus. Vanwege
verkochte producten. (Schuld, staat op creditzijde)
Vlottende activa:
- Voorraden
- Debiteuren
- Nog te ontvangen bedragen
- Vooruitbetaalde bedragen
- Te vorderen BTW
- Liquide middelen
Vaste activa: Alle goederen waarin geld voor langer dan 1 jaar wordt vastgelegd, vast
kapitaal.
Lang vreemd vermogen:
- De hypotheeklening of hypothecaire lening
- De onderhandse lening
Kort vreemd vermogen:
- Het rekening-courantkrediet (het krediet waarbij de onderneming tot een bepaald
maximumbedrag geld mag opnemen bij de bank)
, - Het ontvangen leverancierskrediet (het krediet dat je krijgt van je leveranciers)
- Het ontvangen afnemerskrediet (Het krediet dat je krijgt van de afnemer)
- Vooruit ontvangen bedragen
- Nog te betalen bedragen
- Te betalen BTW
Openingsbalans: Samenvoeging van de investeringsbegroting (debit) en de
financieringsbegroting (credit).
Voorbeeld openingsbalans:
Debet Credit
-------------------------------------------------------------------------------------------
Vaste activa I Eigen vermogen
I
I Lang vreemd vermogen
Vlottende activa I
I Kort vreemd vermogen
Hoofdstuk 2
Balansmutaties: Verandering in de bezittingen
Brutowinst = omzet - inkoopwaarde van de verkochte goederen
Nettowinst = brutowinst - overige bedrijfskosten
Overige opmerkingen:
- Met een balanspost wordt een bepaalde bezitting, een bepaalde schuld of het eigen
vermogen bedoeld.
- Een opbrengst vergroot het eigen vermogen en kosten verlagen het eigen vermogen.
Mutatiebalans: In tegenstelling tot een openingsbalans, worden er op de mutatiebalans
alleen maar balansposten gezet die veranderen.
Voorbeeld mutatiebalans:
Debit Credit
------------------------------------------------------------------------------------------------------
Kas + €1.210,- I Eigen vermogen + €1.000,-
I Te betalen BTW + €210,-
---------------- I -----------------
+ €1.210,- I + €1.210,-
Jaarlijkse afschrijving = (aanschafwaarde-restwaarde) / aantal jaar