Colleges inspanningsfysiologie
Inspanningsfysiologie I – Duurtraining
Inspanningstesten:
• Testen voor maximaal aeroob uithoudingsvermogen
• Testen voor spierkracht
• Coördinatie/agility tests
• Snelheidstests
Duur-uithoudingsvermogen:
• Casus: conditioneel probleem → aeroob energiesysteem
• Trainen
• Tests:
o Benodigdheden
o Protocol
o Meetresultaten
Anaerobe glycolyse:
Aeroob vermogen = energiesysteem dat bij verbranding van
brandstoffen gebruikt maakt van zuurstof.
• Krebs cyclus:
o Pyro druivenzuur naar ATP door chemische processen →
regeneratie ATP
• Oxidatie fosforylering – ademhalingsketen:
o Aanmaak ATP door elektronenoverdracht naar zuurstof
molecuul
o Met gebruik van O2 in bepaalde tijd
,Energieleverende processen → ATP:
Energie transfer, katabolisme:
Inspanning:
• Fysiologische reacties:
o Acute reacties: momentane reacties
o Op één enkele hoeveelheid inspanning
o Chronische aanpassingen: trainingseffecten
o Op regelmatige blootstelling aan inspanning
Training:
• Het regelmatig, systematisch toedienen van prikkels om de prestatie te verhogen.
• Trainen is een proces waarmee een verbetering op een bepaald doelgebied wordt
nagestreefd.
Trainingsprogramma:
• Opgebouwd aan de hand van trainingsprincipes:
o Overload (trainings respons)
▪ Frequentie, intensiteit, duratie
▪ Ook niet gezonde doelgroepen
o Supercompensatie
, ▪ Richtlijn:
Explosieve kracht >72 uur
Krachttraining 48-72 uur
Kracht uithouding 36-48 uur
Aerobe training 12-48 uur
Coördinatietraining 12 uur
o Specificity:
▪ Specifieke training → specifieke
aanpassingen → specifieke
trainingseffecten (bijvoorbeeld:
activiteit, omgeving)
o Individual difference:
▪ Relatieve fitheid
▪ Individuele trainingseffecten
o Reversibility, omkeerbaarheid:
▪ Snelle terugval fitheid
− ≈ 1% per dag
− Bij getrainden meer verlies van spiervermogen dan van spierkracht.
Omkeerbaarheid:
• Verandering:
o 1 week bedrust: VO2 max -7%
o 3 weken bedrust: VO2 max -27%
o 2 weken trainen: -10%
o 3 weken niet trainen:
▪ Slagvolume: -10%
▪ VO2 max: -8%
▪ Vetverbranding: -52%
▪ Lactaat: +88% (= eindprocut van glucosemetabolisme en levert energie aan
skeletspieren tijdens zware inspanning).
▪ Vermoeidheid: +10%
▪ Capillarisatie: -7%
o Trainingseffect na 6-8 weken vrijwel volledig veroloren.
Testen van aeroob vermogen:
• Nulpunt meting:
o Wat is het niveau van de sporter nu?
• Volgmeting:
o Hoe verbeter/verslechtert de sporter over de tijd?
• Evaluatie:
o Wat is het niveau van de sporter na het trainingsprogramma?
Duurvermogen → test: →
, Tests:
• Inspanningstesten ≈ conditietesten:
o Cardio pulmonary exercise test (CPET):
▪ Concept gebaseerd op de drempelwaardes
(threshold): VT1, VT2, VO2max en VO2 piek
▪ Wasserman’s plots
o Åstrand-test:
▪ Submaximaal → gerelateerd aan HR →
schatting
▪ Valide maar, meetfout 10-15%
▪ Nauwkeurig voor groep → schatting van maximale O2 uptake → meetfouten →
wegvallen verschillen
▪ Onnauwkeurig voor individu, maar eenvoudig, goedkoop en lage risico’s.
▪ Nodig voor test:
− Voldoende kennis van de test
− Fietsergometer → goed instelbaar op wattage
− Hartslagmeter
− Tabellen en diagrammen
▪ Protocol:
− Wattage tabel:
❖ Verwachtte conditie (eind test: 130-170)
❖ Leeftijd
❖ Geslacht
− Trapfrequentie: 50-60 omwentelingen/min
− Borgschaal: pijn/zwaarte
− Hartslag:
❖ 1ste of 2de min. HF <120 → wattage ophogen
met 25-50W
❖ 1ste of 2de min. HF >150 → dan afbreken.
❖ Noteren elke laatste 10 seconden van minuut.
❖ Indien 5de of 6de min. Verschil HF van meer dan
5 slagen, test verlengen.
❖ 6de min. → 50% en rustig uitfietsen (1-2 min)
▪ Meetresultaten:
− Gemiddelde hartslag in 5de en 6de minuut.
Inspanningsfysiologie I – Duurtraining
Inspanningstesten:
• Testen voor maximaal aeroob uithoudingsvermogen
• Testen voor spierkracht
• Coördinatie/agility tests
• Snelheidstests
Duur-uithoudingsvermogen:
• Casus: conditioneel probleem → aeroob energiesysteem
• Trainen
• Tests:
o Benodigdheden
o Protocol
o Meetresultaten
Anaerobe glycolyse:
Aeroob vermogen = energiesysteem dat bij verbranding van
brandstoffen gebruikt maakt van zuurstof.
• Krebs cyclus:
o Pyro druivenzuur naar ATP door chemische processen →
regeneratie ATP
• Oxidatie fosforylering – ademhalingsketen:
o Aanmaak ATP door elektronenoverdracht naar zuurstof
molecuul
o Met gebruik van O2 in bepaalde tijd
,Energieleverende processen → ATP:
Energie transfer, katabolisme:
Inspanning:
• Fysiologische reacties:
o Acute reacties: momentane reacties
o Op één enkele hoeveelheid inspanning
o Chronische aanpassingen: trainingseffecten
o Op regelmatige blootstelling aan inspanning
Training:
• Het regelmatig, systematisch toedienen van prikkels om de prestatie te verhogen.
• Trainen is een proces waarmee een verbetering op een bepaald doelgebied wordt
nagestreefd.
Trainingsprogramma:
• Opgebouwd aan de hand van trainingsprincipes:
o Overload (trainings respons)
▪ Frequentie, intensiteit, duratie
▪ Ook niet gezonde doelgroepen
o Supercompensatie
, ▪ Richtlijn:
Explosieve kracht >72 uur
Krachttraining 48-72 uur
Kracht uithouding 36-48 uur
Aerobe training 12-48 uur
Coördinatietraining 12 uur
o Specificity:
▪ Specifieke training → specifieke
aanpassingen → specifieke
trainingseffecten (bijvoorbeeld:
activiteit, omgeving)
o Individual difference:
▪ Relatieve fitheid
▪ Individuele trainingseffecten
o Reversibility, omkeerbaarheid:
▪ Snelle terugval fitheid
− ≈ 1% per dag
− Bij getrainden meer verlies van spiervermogen dan van spierkracht.
Omkeerbaarheid:
• Verandering:
o 1 week bedrust: VO2 max -7%
o 3 weken bedrust: VO2 max -27%
o 2 weken trainen: -10%
o 3 weken niet trainen:
▪ Slagvolume: -10%
▪ VO2 max: -8%
▪ Vetverbranding: -52%
▪ Lactaat: +88% (= eindprocut van glucosemetabolisme en levert energie aan
skeletspieren tijdens zware inspanning).
▪ Vermoeidheid: +10%
▪ Capillarisatie: -7%
o Trainingseffect na 6-8 weken vrijwel volledig veroloren.
Testen van aeroob vermogen:
• Nulpunt meting:
o Wat is het niveau van de sporter nu?
• Volgmeting:
o Hoe verbeter/verslechtert de sporter over de tijd?
• Evaluatie:
o Wat is het niveau van de sporter na het trainingsprogramma?
Duurvermogen → test: →
, Tests:
• Inspanningstesten ≈ conditietesten:
o Cardio pulmonary exercise test (CPET):
▪ Concept gebaseerd op de drempelwaardes
(threshold): VT1, VT2, VO2max en VO2 piek
▪ Wasserman’s plots
o Åstrand-test:
▪ Submaximaal → gerelateerd aan HR →
schatting
▪ Valide maar, meetfout 10-15%
▪ Nauwkeurig voor groep → schatting van maximale O2 uptake → meetfouten →
wegvallen verschillen
▪ Onnauwkeurig voor individu, maar eenvoudig, goedkoop en lage risico’s.
▪ Nodig voor test:
− Voldoende kennis van de test
− Fietsergometer → goed instelbaar op wattage
− Hartslagmeter
− Tabellen en diagrammen
▪ Protocol:
− Wattage tabel:
❖ Verwachtte conditie (eind test: 130-170)
❖ Leeftijd
❖ Geslacht
− Trapfrequentie: 50-60 omwentelingen/min
− Borgschaal: pijn/zwaarte
− Hartslag:
❖ 1ste of 2de min. HF <120 → wattage ophogen
met 25-50W
❖ 1ste of 2de min. HF >150 → dan afbreken.
❖ Noteren elke laatste 10 seconden van minuut.
❖ Indien 5de of 6de min. Verschil HF van meer dan
5 slagen, test verlengen.
❖ 6de min. → 50% en rustig uitfietsen (1-2 min)
▪ Meetresultaten:
− Gemiddelde hartslag in 5de en 6de minuut.