Werkgroep 5 Overheid en Privaatrecht: overheidscontractenrecht
Opgave 1
Op 15 april 1998 is door de minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de minister
van VROM, het ingevolge de Tracéwet vereiste tracébesluit van de Hogesnelheidslijn-Zuid
vastgesteld. Daarin is tevens opgenomen het verbreden en verleggen van de autosnelweg A16 tussen
Prinsenbeek-Noord en het knooppunt Galder met inbegrip van de aanleg van het knooppunt
Princeville en het aansluitende deel van de A58. Het tracébesluit heeft tevens betrekking op het
aanpassen van de geluidsschermen ten noorden van de A58 nabij het Liesbos en op het zogenoemde
onderliggende wegennet van knooppunt Princeville (de zogeheten Aanvulling V van het Tracébesluit).
Ten behoeve van de aanleg van een en ander en ten verkrijging van de benodigde gronden is door de
Staat met boer Jansen in januari 2001 een overeenkomst gesloten waarbij een aantal percelen grond
van Jansen tegen andere zijn geruild. Omdat Jansen veel belang hecht aan de plaatsing van
geluidsschermen langs de snelwegen die langs zijn nieuwe percelen lopen, zijn in de overeenkomst
uitdrukkelijk de lengte en overige maten van de geluidsschermen vastgesteld.
In januari 2002 acht de minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de minister van
VROM, het van belang de aanvulling V van het tracébesluit HSL op een aantal punten te herzien. Bij
die herziening wordt ook de lengte van de geluidsschermen aan de noordzijde van de A58 aanzienlijk
ingekort.
Jansen kan zich hierin in het geheel niet vinden en maakt tijdig bezwaar tegen de herziening van
Aanvulling V van het tracébesluit, maar krijgt nul op het rekest. Daarop vecht hij herziening van de
aanvulling van het tracébesluit – met succes – aan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State. Daarbij beroept hij zich uiteraard op de overeenkomst die hij heeft gesloten. Op 8 september
2004 vernietigt de Afdeling de herziening van Aanvulling V van het tracébesluit. De Afdeling
overweegt:
“Dat de nakoming van de overeenkomst tussen appellant en de Staat een privaatrechtelijke aangelegenheid is en dat
de overeenkomst primair ziet op grondruil (…), doet er niet aan af dat deze overeenkomst een rol had behoren te
spelen in de belangenafweging die ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit.”
Beantwoord, uitdrukkelijk gemotiveerd, de volgende vragen:
a. Met wat voor een soort overeenkomst hebben we hier van doen?
De overeenkomst die is gesloten tussen de Staat en dhr. Jansen kan als een gemengde
overeenkomst worden gekwalificeerd, omdat beide soorten bedingen (privaatrechtelijk en
publiekrechtelijk) in de overeenkomst zijn opgenomen. Het is een privaatrechtelijke
overeenkomst omdat het object van de overeenkomst deels berust op een privaatrechtelijke
titel namelijk het eigendomsrecht. In de overeenkomst is immers afgesproken dat een aantal
percelen grond van dhr. Jansen met andere worden geruild. De onderhavige overeenkomst kan
ook als een bevoegdhedenovereenkomst worden bestempeld. Een belangrijke aanwijzing
hiervoor ligt gelegen in het object van de overeenkomst. De Staat contracteert immers over het
gebruik van een publiekrechtelijke bevoegdheid namelijk het aanpassen van de
geluidsschermen op grond van de Tracéwet. De uitvoeringshandeling betreft tevens een Awb-
besluit namelijk een tracébesluit. Bovendien wordt de overeenkomst gesloten voordat door de
Staat gebruikmaakt van haar bevoegdheid op grond van de Tracéwet om het tracébesluit te
herzien. De bestuursrechter is bevoegd hierover een oordeel te geven aangezien de
uitvoeringshandeling van de overeenkomst een tracébesluit betreft (= een appellabel Awb-
besluit). Daar staat bezwaar en vervolgens beroep tegen open ingevolge art. 7:1 jo. art. 8:1
Awb.
Opgave 1
Op 15 april 1998 is door de minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de minister
van VROM, het ingevolge de Tracéwet vereiste tracébesluit van de Hogesnelheidslijn-Zuid
vastgesteld. Daarin is tevens opgenomen het verbreden en verleggen van de autosnelweg A16 tussen
Prinsenbeek-Noord en het knooppunt Galder met inbegrip van de aanleg van het knooppunt
Princeville en het aansluitende deel van de A58. Het tracébesluit heeft tevens betrekking op het
aanpassen van de geluidsschermen ten noorden van de A58 nabij het Liesbos en op het zogenoemde
onderliggende wegennet van knooppunt Princeville (de zogeheten Aanvulling V van het Tracébesluit).
Ten behoeve van de aanleg van een en ander en ten verkrijging van de benodigde gronden is door de
Staat met boer Jansen in januari 2001 een overeenkomst gesloten waarbij een aantal percelen grond
van Jansen tegen andere zijn geruild. Omdat Jansen veel belang hecht aan de plaatsing van
geluidsschermen langs de snelwegen die langs zijn nieuwe percelen lopen, zijn in de overeenkomst
uitdrukkelijk de lengte en overige maten van de geluidsschermen vastgesteld.
In januari 2002 acht de minister van Verkeer en Waterstaat, in overeenstemming met de minister van
VROM, het van belang de aanvulling V van het tracébesluit HSL op een aantal punten te herzien. Bij
die herziening wordt ook de lengte van de geluidsschermen aan de noordzijde van de A58 aanzienlijk
ingekort.
Jansen kan zich hierin in het geheel niet vinden en maakt tijdig bezwaar tegen de herziening van
Aanvulling V van het tracébesluit, maar krijgt nul op het rekest. Daarop vecht hij herziening van de
aanvulling van het tracébesluit – met succes – aan bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad
van State. Daarbij beroept hij zich uiteraard op de overeenkomst die hij heeft gesloten. Op 8 september
2004 vernietigt de Afdeling de herziening van Aanvulling V van het tracébesluit. De Afdeling
overweegt:
“Dat de nakoming van de overeenkomst tussen appellant en de Staat een privaatrechtelijke aangelegenheid is en dat
de overeenkomst primair ziet op grondruil (…), doet er niet aan af dat deze overeenkomst een rol had behoren te
spelen in de belangenafweging die ten grondslag heeft gelegen aan het bestreden besluit.”
Beantwoord, uitdrukkelijk gemotiveerd, de volgende vragen:
a. Met wat voor een soort overeenkomst hebben we hier van doen?
De overeenkomst die is gesloten tussen de Staat en dhr. Jansen kan als een gemengde
overeenkomst worden gekwalificeerd, omdat beide soorten bedingen (privaatrechtelijk en
publiekrechtelijk) in de overeenkomst zijn opgenomen. Het is een privaatrechtelijke
overeenkomst omdat het object van de overeenkomst deels berust op een privaatrechtelijke
titel namelijk het eigendomsrecht. In de overeenkomst is immers afgesproken dat een aantal
percelen grond van dhr. Jansen met andere worden geruild. De onderhavige overeenkomst kan
ook als een bevoegdhedenovereenkomst worden bestempeld. Een belangrijke aanwijzing
hiervoor ligt gelegen in het object van de overeenkomst. De Staat contracteert immers over het
gebruik van een publiekrechtelijke bevoegdheid namelijk het aanpassen van de
geluidsschermen op grond van de Tracéwet. De uitvoeringshandeling betreft tevens een Awb-
besluit namelijk een tracébesluit. Bovendien wordt de overeenkomst gesloten voordat door de
Staat gebruikmaakt van haar bevoegdheid op grond van de Tracéwet om het tracébesluit te
herzien. De bestuursrechter is bevoegd hierover een oordeel te geven aangezien de
uitvoeringshandeling van de overeenkomst een tracébesluit betreft (= een appellabel Awb-
besluit). Daar staat bezwaar en vervolgens beroep tegen open ingevolge art. 7:1 jo. art. 8:1
Awb.