Samenvatting
Maatschappijleer: Hoofdstuk 7;
Nederlandse uitkomst van het machtsdilemma
Judith Vuijst
CSVVG Vincent van Gogh
, SAMENVATTING MAATSCHAPPIJLEER HOOFDSTUK 7: NEDERLANDSE UITKOMST VT MACHTSDILEMMA
Parlementaire democratie: mensen mogen dmv verkiezingen bepalen wie het land bestuurt in NL
1. Sociale uitvinding die past bij de waarde kiesrecht bij het machtsdilemma
§7.1 GESCHIEDENIS ONTWIKKELINGEN MACHTSDILEMMA IN NEDERLAND
Zelfstandigheid in NL sterk doordat mensen hier de strijd tegen water voerden.
Meer rechtsgelijkheid en invloed voor burgers door:
1. Franse Revolutie (1789): burger krijgt rechten. Oorzaak: Franse vorsten vergaten belangen vh volk bestorming vd Bastille.
2. Amerikaanse Onafhankelijkheidsverklaring (1776)
Belangrijke democratische ontwikkelingen NL: Grondwet door Thorbecke (1848): basis voor de huidige parlementaire democratie.
1. Ministeriële verantwoordelijkheid: ministers verantwoordelijk voor beleid vd regering en niet de koning (=onschendbaar).
2. Invoering censuskiesrecht: mannen die voldoende belasting betaalden, mochten ook stemmen. (vooral fabriekseigenaren).
1917–1971: verdere uitbreiding kiesrecht; algemeen kiesrecht 18 jaar door Pacificatie.
Pacificatie: uitruil van waarden en belangen tussen katholieken, protestanten, socialisten en liberalen.
MACHTSDILEMMA IN GRONDWET
Art 4. Waarden van kiesrecht, onderscheid in: actief kiesrecht (=mogen stemmen) en passief kiesrecht (=recht gekozen te worden).
Art 8. Recht van vereniging: iedereen mag zich verenigen in een politieke partij
Art 9. Recht van vergadering en betoging (demonstreren): soort vrijheid van meningsuiting
§7.2 ACTOREN MET MACHT
Trias politica: officiële actoren met macht (eerste drie):
1. Wetgevende macht: Staten-Generaal: 1e + 2e kamer, maken wetten en controleren.
Staten-Generaal: parlement met politieke partijen (fracties). Mensen id partij: volksvertegenwoordigers.
1e kamer: neemt soms ander besluit dan 2e kamer en let op overeenstemming met andere wetten.
2e kamer: rechtstreeks gekozen door volk: controleren van regeringsbeleid en maken wetten
2. Uitvoerende macht: Regering: koning + ministers.
Kabinet: ministers + staatsecretarissen: maken wetten en voeren uit. (Wordt niet door volk gekozen).
Coalitie: samenwerkingsverband van twee/meer partijen, hierbij hoort een regeerakkoord.
Regeerakkoord: afspraken tussen coalitiepartijen over het te voeren beleid id regeerperiode.
Oppositie: partijen die niet id coalitie plaatsnemen.
Gedoogsteun: partijen die niet in het kabinet zetten, maar wel het beleid steunt.
Gelegenheidscoalities: samenwerking van partijen uit de coalitie en oppositie die het samen eens zijn over beleid.