Bloedsomloop (circulatie) polsslag, bloeddruk (tensie) Hart, bloedvaten en bloed
Aanspreekbaarheid Hersenen
Bloed levert zuurstof op, neemt koolstofdioxide op, brengt voedingsstoffen rond.
Hoe meet je een ademhaling:
In en uitademing telt als 1 ademhaling. Dit kun je bijvoorbeeld 15 seconde doen x 4
om per minuut uit te rekenen. Je kunt aan de borstkas kijken hoe vaak deze uitzet. Of
eventueel de arm op de borst leggen, je kunt zien hoe vaak deze op en neer gaat.
Waar tel je de hartslag;
Aan de binnenkant van de pols bij je duim, naast het botje. Dit meet je met je wijsvinger en
middelvinger. Je kunt daarmee de kracht voelen van de pulsen, zitten er tussenpozen in de
slagen, je kunt de temperatuur testen, regelmatige polsslag (regulair) (reg) en onregelmatige
polsslag (irregulair) (irreg). Dit kan je meten; slaap, hals, pols, in de liezen, knieholte en voet.
Waarom is je hartslag versneld bij koorts;
Je lichaam werkt harder, heeft meer bloed en zuurstof nodig. Functie van koorts; door
middel van temperatuur probeert het lichaam infecties, bacteriën te doden. Polsslag
gaat omhoog. De ademhaling gaat omhoog, als het bloed sneller rond moet, zal er
meer zuurstof nodig zijn. Bij koorts meer je de bloeddruk, hartslag, ademhaling en
temperatuur.
Wat is een saturatie meting;
Zuurstofgehalte wat in je vinger zit. Hoeveel rode bloedcellen komen erlangs tijdens
de meting. Aan een rode bloedcel kan zuurstof koppelen maar ook koolzuur.
Observeren ademhaling monitoren door 4 kwaliteiten:
Frequentie van ademhalingen (aantal keren per minuut)
Diepte van ademhaling
Regelmaat van ademhaling
Patronen.
Een snelle ademhaling zonder benauwdheid komt voor bij opwinding, hoge
temperatuur en wanneer diep ademhalen pijnlijk is (gebroken ribben). Oppervlakkig
ademhalen: bij gebroken ribben en bij pijn, als je meer zuurstof nodig hebt ga je
automatisch dieper ademhalen.
1. Welke spieren gebruiken we bij de ademhaling: Middenrif en de tussenribspieren.
2. Beschrijf in het kort de weg van inademen: Bij inademing komt er lucht binnen, dit
gaat via de keelholte naar de luchtpijp, via de longen gaat lucht naar de vertakkingen van
de bronchiën en zo naar de alveoli.
3. Waar vindt uiteindelijk de gasuitwisseling plaats? Longblaasjes (alveoli)
4. Welke twee gassen spelen een belangrijke rol bij de ademhaling? Zuurstof O2 wordt
opgenomen en CO2 koolstofdioxide wordt afgegeven aan de lucht.
5. Wat noem een overeenkomst en een verschil tussen perifere en centrale cyanose.
Verschillen: Centraal cyanose: probleem gelegen in de aorta. Perifeer cyanose: Zit aan
het uiteinde van het lichaam, verder weg van hart en longen. (Duimnagel).
Overeenkomst: Zuurstoftekort wat blauwverkleuring veroorzaakt. Dyspnoe treed op.
6. Waarbij komt een snelle ademhaling zonder benauwdheid voor: Bij opwinding,
hogere temperatuur en als ademhalen pijnlijk is (gebroken ribben of longontsteking).
7. Wat is de functie van hoesten: Krachtig uitademen voor het verwijderen van slijm of
wanneer iets het verkeerde keelgat inschiet.
1