Hoorcollege genen en cellen 04-09-2020
Griffith;
Twee stammen van s. pneumoniae
- Kun je inspuiten bij muizen
Bij gladde cellen; bacterie maakte muizen dood-> komt door kapsel dat bacteriën
maken-> deze waren in staat te overleven in bloedbaan en gingen delen -> hierdoor
ging de muis dood
Bij ruwe cellen; bacterie maakte muizen niet dood -> hadden geen kapsel-> bacteriën
werden door complement systeem in bloedbaan van muis gedood
- Overdraagbare eigenschappen bij muizen; gladde (muis ging dood) en ruwe bacteriën
Hiervoor waren levende bacteriën nodig -> Ruwe typen (wat de muis liet leven)
voegde je aan dode gladde bacteriën toe-> dode gladde bact. maakten van zichzelf
de muis niet dood en de ruwe bact. Ook niet -> het mengsel van deze twee
maakten de muis wel dood-> ruwe bact. moesten iets hebben opgenomen van
gladde bact. wat de muis doodmaakte.
Ruwe bacteriën die muis ingingen hebben genetisch materiaal opgenomen wat hen
glad maakte -> hierdoor hebben ze eigenschap overgenomen wat de muis
doodmaakte. (=transformatie, overdracht genetisch materiaal).
- Wat geeft overdracht van genetisch materiaal?; ze zuiverden DNA van s. stam -> ruw
mengsel met DNA-> mengden dit met ruwe bacteriën -> verdelen over aantal buisjes-
> voegen DNA toe-> ook DNAse in 1 buisje en in 1 buisje RNAse en 1 buisje Protease -
> antilichaam toe wat aan ruwe bacteriën kan binden -> ruwe bacteriën gingen
samenklonteren -> in centrifuge -> ruwe bacteriën zakte naar bodem-> de gladde
bleven in vloeistof van buisje -> dit deden ze op platen-> DNAse toegevoegd; DNA
werd afgebroken en transformatie vond niet meer plaats -> DNA wat genetische
informatie bevat om van ruwe een gladde bacterie te maken.
Hershey en Chase;
- Gebruikten bacteriofagen, bezit capsule -> bevinden zich eiwitten en DNA -> bacterie
landt op celoppervlakte -> materiaal wordt in bacterie gespoten -> gebruikt om
nieuwe virusdeeltjes te maken
Origin of replication;
- Eukaryoten kennen meerde origins of replication
- Prokaryoten hebben één origin of replication
DNA-helicase; DNA uit elkaar
DNA-polymerse synthetiseert DNA-polymeer-> primer nodig
, Genen en cellen: Membranen 08-09-2020
Membraan: fosfolipiden
- Bouwsteen van membraan
- Amfipatisch
- Fosfolipide bi-laag: bijeenkomst fosfolipiden
Samenstelling:
- Fosfolipiden en cholesterol
- Eiwitten en glycoproteïne
- GLycolipide en lipoproteïne (vetzuurketen die vastzit aan aminozuurketen)
Functie membraan:
- Selectieve barriere
Tussen: Binnen en buiten
Verschillende compartimenten
Type eiwitten in het membraan:
Integrale membraaneiwitten
- Transmembraaneiwitten: bestaan uit alfa-helix, bepalen deel van het eiwit dat in
membraan steekt. Transmembraaneiwitten houdt eiwit ook in het membraan. Binnenkant is
hydrofoob. De buitenkant is hydrofiel.
-Transmembraaneiwitten bestaande uit Beta-strands. (Beta-barrel)
Periphere membraaneiwitten
- Zitten aan membraan vast; hebben geen alfa-helix die het eiwit in membraan
vasthoudt. Het gaat binding aan met ander eiwit die wel vast blijft zitten aan het
membraan, OF; het maakt een vetzuurketen aan zichzelf vast. Deze vetzuurketen
steekt in membraan en steekt tussen de vetzuurketens van de fosfolipiden.
Transport over een membraan
- Diffusie; Molecuul in waterige oplossingen en molecuul is oplosbaar in water, naar verloop
van tijd gaan die moleculen zich over die oplossing verdelen totdat ze gemengd zijn.
Dit wordt beïnvloed door
Concentratieverschil; Hoe groter het verschil, hoe sneller de diffusie
Molecuulgrootte; Hoe kleiner het molecuul, hoe sneller de diffusie (er is minder
weerstand)
Temperatuur; Diffusie gaat sneller bij hogere temperatuur
Invloed lading (aantrekken en afstoten) en druk
Ene kant membraan hoge concentratie, andere kant lage concentratie-> molecuul klein
genoeg om door membraan heen te gaan -> moleculen zullen door membraan heengaan aan
de hand van concentratiegradiënt.
Membranen zijn semi-permeabel
Griffith;
Twee stammen van s. pneumoniae
- Kun je inspuiten bij muizen
Bij gladde cellen; bacterie maakte muizen dood-> komt door kapsel dat bacteriën
maken-> deze waren in staat te overleven in bloedbaan en gingen delen -> hierdoor
ging de muis dood
Bij ruwe cellen; bacterie maakte muizen niet dood -> hadden geen kapsel-> bacteriën
werden door complement systeem in bloedbaan van muis gedood
- Overdraagbare eigenschappen bij muizen; gladde (muis ging dood) en ruwe bacteriën
Hiervoor waren levende bacteriën nodig -> Ruwe typen (wat de muis liet leven)
voegde je aan dode gladde bacteriën toe-> dode gladde bact. maakten van zichzelf
de muis niet dood en de ruwe bact. Ook niet -> het mengsel van deze twee
maakten de muis wel dood-> ruwe bact. moesten iets hebben opgenomen van
gladde bact. wat de muis doodmaakte.
Ruwe bacteriën die muis ingingen hebben genetisch materiaal opgenomen wat hen
glad maakte -> hierdoor hebben ze eigenschap overgenomen wat de muis
doodmaakte. (=transformatie, overdracht genetisch materiaal).
- Wat geeft overdracht van genetisch materiaal?; ze zuiverden DNA van s. stam -> ruw
mengsel met DNA-> mengden dit met ruwe bacteriën -> verdelen over aantal buisjes-
> voegen DNA toe-> ook DNAse in 1 buisje en in 1 buisje RNAse en 1 buisje Protease -
> antilichaam toe wat aan ruwe bacteriën kan binden -> ruwe bacteriën gingen
samenklonteren -> in centrifuge -> ruwe bacteriën zakte naar bodem-> de gladde
bleven in vloeistof van buisje -> dit deden ze op platen-> DNAse toegevoegd; DNA
werd afgebroken en transformatie vond niet meer plaats -> DNA wat genetische
informatie bevat om van ruwe een gladde bacterie te maken.
Hershey en Chase;
- Gebruikten bacteriofagen, bezit capsule -> bevinden zich eiwitten en DNA -> bacterie
landt op celoppervlakte -> materiaal wordt in bacterie gespoten -> gebruikt om
nieuwe virusdeeltjes te maken
Origin of replication;
- Eukaryoten kennen meerde origins of replication
- Prokaryoten hebben één origin of replication
DNA-helicase; DNA uit elkaar
DNA-polymerse synthetiseert DNA-polymeer-> primer nodig
, Genen en cellen: Membranen 08-09-2020
Membraan: fosfolipiden
- Bouwsteen van membraan
- Amfipatisch
- Fosfolipide bi-laag: bijeenkomst fosfolipiden
Samenstelling:
- Fosfolipiden en cholesterol
- Eiwitten en glycoproteïne
- GLycolipide en lipoproteïne (vetzuurketen die vastzit aan aminozuurketen)
Functie membraan:
- Selectieve barriere
Tussen: Binnen en buiten
Verschillende compartimenten
Type eiwitten in het membraan:
Integrale membraaneiwitten
- Transmembraaneiwitten: bestaan uit alfa-helix, bepalen deel van het eiwit dat in
membraan steekt. Transmembraaneiwitten houdt eiwit ook in het membraan. Binnenkant is
hydrofoob. De buitenkant is hydrofiel.
-Transmembraaneiwitten bestaande uit Beta-strands. (Beta-barrel)
Periphere membraaneiwitten
- Zitten aan membraan vast; hebben geen alfa-helix die het eiwit in membraan
vasthoudt. Het gaat binding aan met ander eiwit die wel vast blijft zitten aan het
membraan, OF; het maakt een vetzuurketen aan zichzelf vast. Deze vetzuurketen
steekt in membraan en steekt tussen de vetzuurketens van de fosfolipiden.
Transport over een membraan
- Diffusie; Molecuul in waterige oplossingen en molecuul is oplosbaar in water, naar verloop
van tijd gaan die moleculen zich over die oplossing verdelen totdat ze gemengd zijn.
Dit wordt beïnvloed door
Concentratieverschil; Hoe groter het verschil, hoe sneller de diffusie
Molecuulgrootte; Hoe kleiner het molecuul, hoe sneller de diffusie (er is minder
weerstand)
Temperatuur; Diffusie gaat sneller bij hogere temperatuur
Invloed lading (aantrekken en afstoten) en druk
Ene kant membraan hoge concentratie, andere kant lage concentratie-> molecuul klein
genoeg om door membraan heen te gaan -> moleculen zullen door membraan heengaan aan
de hand van concentratiegradiënt.
Membranen zijn semi-permeabel