Week 1 BBP en Inflatie
– Welke factoren bepalen onze welvaart?
Vanaf pagina 2 – Wat voor effecten heeft inflatie?
Week 2 Groei en kapitaalmarkten
– Wat bepaalt hoe welvarend we in de toekomst
Vanaf pagina 7 zijn?
– De kapitaalmarkt speelt een grote rol, denk aan
de financiële crisis van 2009, maar wat voegt het
toe aan de economie?
Week 3 Korte-termijn fluctuaties en de arbeidsmarkt
– Hoe komen economische schokken tot stand?
Vanaf pagina – Welke relatie is er tussen de conjunctuur en
15 werkloosheid?
Week 4 Geld, rente en het IS-LM-model
– Rente en output hebben veel met elkaar te
Vanaf pagina maken, maar hoe werkt dat precies?
27 – Hoe zijn de verschillende markten met elkaar
verweven?
Week 5 Begrotingsbeleid en monetair beleid
– Wanneer, hoeveel en hoe moet er ingegrepen
Vanaf pagina worden door de overheid of door de ECB?
34
Week 6 Geaggregeerde vraag en aanbod, en de
Phillipscurve
Vanaf pagina – Waarom is er soms hoge inflatie? Denk aan de
41 energiecrisis van 2022.
– Hoe is de inflatie gerelateerd aan output en de
arbeidsmarkt?
Week 7 Internationale handel en betalingsbalans
– Wanneer komt handel tot stand?
Vanaf pagina – Welke rol spelen wisselkoersen daarin?
52
Week 1. BBP en Inflatie
1
,Wat is Macro Economie?
Bij macro-economie bestuderen we de uitkomsten van economieën en het beleid van
overheden en centrale banken om die uitkomsten te beïnvloeden.
Welke uitkomsten?
- Welvaart en levensstandaard: de mate waarin personen toegang hebben tot
goederen en services die hun levens gemakkelijker maken, gezonder, veiliger en
in het algemeen fijner.
- Economische groei: de toename in kwantiteit en kwaliteit van de goederen en
services die de economie produceert.
- Productiviteit: hoeveel we gemiddeld kunnen produceren.
- Conjunctuur: kortetermijnveranderingen in de output van een economie.
- Werkloosheid: het deel van de beroepsbevolking dat geen werk heeft.
- Inflatie: de verandering in het prijsniveau.
- Samenhang tussen verschillende economieën.
Macro-economisch beleid
Soms willen we de economie beïnvloeden:
- Met stabiliserend beleid willen we de kortetermijnfluctuaties in de
economie beperken. Het gaat dan om het afremmen van sterke schommelingen
in economische groei, werkloosheid en inflatie, bijvoorbeeld tijdens een
conjuncturele crisis of een periode van oververhitting. Overheden en centrale
banken doen dit onder andere via begrotingsbeleid (meer of minder
overheidsuitgaven en belastingen) en monetair beleid (aanpassen van de rente).
Het doel is om de economie op korte termijn stabieler te maken en ernstige
recessies of booms te dempen.
- Met structureel beleid willen we de onderliggende structuur van de
economie of haar instituties veranderen. Dit beleid richt zich op de lange
termijn en heeft als doel het verbeteren van het functioneren van markten en
instellingen, zoals de arbeidsmarkt, het onderwijssysteem, het pensioenstelsel of
de woningmarkt. Voorbeelden zijn hervormingen in wet- en regelgeving,
investeringen in onderwijs of innovatie, en het aanpassen van sociale
zekerheidsstelsels. Het doel is om de economische groei, productiviteit en
werkgelegenheid duurzaam te versterken.
Dan zijn er twee mogelijkheden:
- Begrotingsbeleid door de overheid houdt in dat de overheid bewust haar
uitgaven en inkomsten aanpast om invloed uit te oefenen op de economie. In
tijden van laagconjunctuur kan de overheid bijvoorbeeld meer besteden of
belastingen verlagen om de economie te stimuleren. In tijden van
hoogconjunctuur kan zij juist bezuinigen of belastingen verhogen om
oververhitting tegen te gaan. Begrotingsbeleid wordt vooral ingezet als
instrument van stabiliserend beleid, maar kan ook een structureel karakter
hebben wanneer het langdurige hervormingen betreft.
- Monetair beleid door de centrale bank richt zich op het beïnvloeden van de
economie via de geldhoeveelheid en de rente. Door de rente te verlagen kan
de centrale bank lenen en investeren aantrekkelijker maken, wat de economische
activiteit stimuleert. Een renteverhoging maakt sparen aantrekkelijker en kan
inflatie afremmen. Het monetair beleid heeft als belangrijkste doel het waarborgen
van prijsstabiliteit en het creëren van een stabiele economische omgeving.
Om tot dat beleid te komen moet er eerst gekeken worden naar de effecten van
beleid:
- Een positieve analyse geeft een objectief overzicht van de gevolgen. verklaren
of voorspellen, geen waardeoordeel.
- Een normatieve analyse geeft aan of beleid wenselijk is en geeft dus waarde aan
de uitkomsten waardeoordeel.
Bruto Binnenlands Product (BBP)
2
,De staat van een economie wordt vaak uitgedrukt aan de hand van het bruto binnenlands
product. Het wordt vaak gebruikt als een belangrijke indicator voor de welvaart van een
land.
- Het is een maatstaf voor het totale outputniveau.
Manieren om het BBP te berekenen:
1. De marktwaarde van alle finale goederen en diensten geproduceerd in een
land gedurende een bepaalde periode.
o Marktwaarde: de prijs waarvoor een goed of dienst op de markt wordt
verkocht, die de betalingsbereidheid van consumenten weerspiegelt.
o Finale goederen en diensten: alleen de diensten en goederen die
uiteindelijk geconsumeerd worden tellen mee.
o In een land: enkel de productie binnen het land telt mee.
o Bepaalde periode: geproduceerd in dat jaar.
2. de totale toegevoegde waarde van alle in een land geproduceerde goederen
en diensten gedurende een bepaalde periode.
Voorbeeld:
3. Het bruto binnenlands product kan ook aan de hand van de bestedingen
worden berekend:
Formule: 𝑌 = 𝐶 + 𝐼 + 𝐺 + 𝑁𝑋
𝑌 = Bruto binnenlands product
𝐶 = Consumptie door huishoudens
𝐼 = Investeringen door bedrijven
𝐺 = Overheidsuitgaven
NX = Netto exports: export – import
Voorbeeld Nederland 2024:
Wat verklaart de stijging van het BBP
Er zijn meerdere mogelijkheden waarom het BBP is gestegen:
- Hogere productiviteit.
- Hogere participatiegraad.
- Grotere bevolking.
- Hogere prijzen.
Om te beginnen met de prijzen:
We moeten corrigeren voor inflatie.
We drukken de geproduceerde goederen en diensten uit in de prijzen van een
basisjaar.
Of:
NIC
RIC= x 100
PIC
NIC: staat voor Nominaal Indexcijfer (of nominaal inkomen) en is het inkomen in euro's,
zonder rekening te houden met inflatie.
3
, PIC: staat voor Prijsindexcijfer en meet de inflatie (de stijging van de prijzen).
RIC: staat voor Reëel Indexcijfer (of reëel inkomen) en is het inkomen na correctie voor
inflatie, wat de werkelijke koopkracht weergeeft.
Je hebt dus ook nominaal en reëel BBP
We hebben ook BBP per capita:
BBP per capita is imperfect als maatstaf voor welvaart vanwege:
1. Vrije tijd wordt niet meegenomen
- Meer werken ⇒ hoger BBP
- Maar: minder vrije tijd ⇒ niet per se hogere welvaart
📌 Voorbeeld:
Land A werkt 60 uur per week, Land B 40 uur.
BBP per capita is hoger in A, maar mensen in B kunnen gelukkiger zijn.
2. Gebaseerd op marktprijzen, niet op kwaliteit
BBP kijkt naar hoe duur iets is, niet hoe goed het is.
📌 Voorbeeld:
- Gezondheidszorg kan duur zijn maar van slechte kwaliteit
- Gratis, goede zorg verhoogt de welvaart, maar niet altijd het BBP
3. Alleen markttransacties tellen mee
Activiteiten zonder marktprijs tellen niet mee, ondanks hun waarde.
📌 Voorbeelden:
- Mantelzorg
- Vrijwilligerswerk
- Huishoudelijk werk
👉 Deze verhogen welvaart, maar niet het BBP per capita.
4. Milieuschade wordt niet meegenomen
Productie die het milieu vervuilt:
- ❌ verlaagt de welvaart
- ✅ verhoogt het BBP
📌 Voorbeeld:
- Fabriek vervuilt een rivier
- Opruimkosten verhogen zelfs het BBP
👉 BBP stijgt, welvaart daalt
5. Belangrijke sociale uitkomsten ontbreken
BBP zegt niets over:
- Gezondheidszorg
- Onderwijs
- Criminaliteit
- Veiligheid
📌 Twee landen met zelfde BBP per capita kunnen heel verschillende
levenskwaliteit hebben.
6. Ongelijke verdeling van welvaart
BBP per capita is een gemiddelde.
📌 Voorbeeld:
- 1 heel rijke persoon, 9 heel arme
→ BBP per capita kan hoog zijn,
maar meeste mensen leven slecht.
Maar, BBP per capita is wel sterk gecorreleerd met de welvaart:
Een hoger BBP per capita betekent dat er gemiddeld meer middelen per persoon
beschikbaar zijn. Hierdoor zijn er meestal meer en betere goederen en diensten, en kan
de overheid meer investeren in gezondheidszorg, onderwijs en infrastructuur. Daarom is
BBP per capita sterk gecorreleerd met levensverwachting, scholing en veiligheid, ook al is
het geen perfecte maatstaf voor welvaart.
4