Het beenderstelsel bestaat uit alle botten, gewrichten en kraakbeen. Het is verdeeld in
het axiale en het appendiculaire skelet.
Arm, schouder, romp, wervels, heup, benen, schedel zijn het belangerijkst!
FUNCTIES VAN DE BOTTEN
- Ondersteuning: Botten geven het lichaam vorm en stevigheid.
- Bescherming: Ze beschermen vitale organen zoals hersenen, hart en longen.
- Beweging: Spieren bewegen het lichaam via botten als hefboom.
- Opslag: Botten slaan vet en belangrijke mineralen zoals calcium en fosfor op.
- Bloedcelvorming: In het beenmerg worden bloedcellen aangemaakt.
CLASSIFICATIE VAN BOTTEN
Het volwassen skelet telt 206 botten.
Er zijn twee soorten botweefsel:
o Compact bot: stevig en glad, vooral aan de buitenkant.
o Sponsachtig bot: bevat holtes, lichter van structuur.
BOTTEN WORDEN INGEDEELD OP VORM:
Lange botten: langer dan breed, met een schacht en uiteinden. Bevatten
compact bot en sponsachtig weefsel, plus een mergholte met geel beenmerg.
(opperarmbeen)
Platte botten: Dun, afgeplat en vaak gebogen. Bestaan uit twee lagen compact
bot met sponsachtig bot ertussen. Voorbeelden: schedel, ribben, borstbeen.
Korte botten: Kubusvormig, vooral sponsachtig bot met een buitenlaag van
compact bot. Voorbeelden: pols, enkel, knieschijf (sesambeen).
Onregelmatige botten: Geen vaste vorm, zoals wervels. Ook vooral sponsachtig
bot met een buitenlaag van compact bot.
STRUCTUUR VAN EEN LANG BOT
Schacht (diafyse): Middenstuk van het bot, bestaat uit compact bot en is
omgeven door het beenvlies (periost), dat met Sharpey-vezels vastzit.
Epifysen: Uiteinden van het bot, met sponsachtig bot en een dunne laag compact
bot. Bedekt met gewrichtskraakbeen voor soepele beweging.
, Epifysaire lijn: Restant van de groeischijf, zichtbaar na de puberteit.
Mergholte: Holte in de schacht. Bij baby's gevuld met rood beenmerg
(bloedcelvorming), later vervangen door geel beenmerg (vetopslag). Bij
volwassenen zit rood beenmerg vooral in bekken, borstbeen, ribben en wervels.
BOTMARKERINGEN EN EIGENSCHAPPEN
Botoppervlakken zijn niet glad: Ze bevatten uitsteeksels, holten en richels.
Functie van markeringen: Geven aan waar spieren, pezen en ligamenten
(verbinden botten) aanhechten en waar bloedvaten en zenuwen lopen.
Twee soorten markeringen:
o Uitsteeksels: Groeien naar buiten, zoals de trochanter major/minor op
het dijbeen.
o Holten: Groeien naar binnen, zoals de luchtgevulde sinussen in de neus.
Sterkte van bot: Bot is licht maar extreem sterk en bestand tegen trekkrachten.
Het biedt een eenvoudige maar krachtige ondersteuning voor beweging.
, LIGAMENTEN VERBINDEN BOTTEN, KRAAKBEEN BESCHERMT EN
DEMPT TUSSEN BOTTEN.
BOTVORMING EN GROEI
Het skelet bestaat uit kraakbeen en bot, twee sterke steunweefsels.
Bij embryo’s is het skelet vooral van glasachtig (hyalien) kraakbeen gemaakt.
Rond de geboorte wordt het meeste kraakbeen omgezet in bot, behalve op
plekken zoals:
o Gewrichtskraakbeen (voor soepele beweging)
o Groeischijven (voor lengtegroei)
o Neusbrug en delen van de ribben
In de groeischijven ontstaat voortdurend nieuw kraakbeen, dat geleidelijk wordt
vervangen door botweefsel.
Dit proces zorgt voor lengte- en breedtegroei van botten tijdens de jeugd.