Fysiologie
HOOFDSTUK 13: SPIJSVERTERINGSSTELSEL EN
DE STOFWISSELING
Het spijsverteringsstelsel is in twee hoofdgroepen zijn verdeeld:
1. Het spijsverteringskanaal (van mond tot anus): Dit kanaal voert alle
spijsverteringsfuncties uit, zoals voedselinname, vertering, opname van
voedingsstoffen en lozing van ontlasting. Peristaltiek (golvende beweging) stuwt
de inhoud voort.
2. De overige spijsverteringsorganen: Deze helpen op verschillende manieren bij
de spijsvertering. Hiertoe behoren het gebit, de speekselklieren, de alvleesklier, de
lever en de galwegen.
FUNCTIE
Inname van voedsel
Vertering van voedsel tot voedingsstoffen
Opname van voedingsstoffen in de bloedbaan
Uitscheiding van onverteerbare stoffen
PLAATJE
,HET SPIJSVERTERINGSKANAAL
Het spijsverteringskanaal (ook wel maag-darmkanaal) is een lange, holle spierbuis die
door je buik loopt.
Traject: Het begint bij de mond (os) en eindigt bij de anus (anus).
Onderdelen: De belangrijkste delen zijn de mond (os), de keelholte (pharynx),
de slokdarm (oesophagus), de maag (gaster), de dunne darm (intestinum
tenue) en de dikke darm (intestinum crassum).
Belangrijk punt: Voedsel in dit kanaal bevindt zich technisch gezien buiten het
lichaam, omdat het kanaal aan beide kanten open is (mond en anus).
MOND
De mond, het beginpunt van het spijsverteringskanaal:
Anatomie van de Mondholte (Cavum Oris):
o Het is bekleed met slijmvlies.
o De begrenzingen worden gevormd door de lippen (labia), wangen, het
harde gehemelte (palatum) aan de bovenkant, en de huig (uvula) aan het
einde.
o Binnenin bevinden zich het gebit en de tong (lingua). De tong is een spier
die aan de mondbodem is bevestigd door het tongriem, wat de beweging
ervan beperkt.
Lymfatisch Weefsel: Achter in de mondholte bevinden zich de keelamandelen
(tonsilla palatina) en de tongamandel. Deze lymfeklieren maken deel uit van het
afweersysteem.
Functie: In de mond wordt het voedsel gekauwd (mechanische afbraak) en
vermengd met speeksel (chemische afbraak begint). De tong en de wangen
helpen bij het positioneren van het voedsel en zorgen ervoor dat het kan worden
doorgeslikt.
,KEELHOLTE
De keelholte (pharynx) is de cruciale, gemeenschappelijke doorgang voor zowel de
spijsvertering als de ademhaling.
DRIE GEBIEDEN: DE PHARYNX IS VERDEELD IN:
o Nasofarynx: Verbinding met de neus.
o Orofarynx: Verbinding met de mond (middelste deel).
o Laryngofarynx: Het onderste deel, dat uitmondt in de slokdarm en de
luchtpijp.
Mechanisme (Wanden): De wanden bestaan uit twee lagen dwarsgestreepte
spieren (bewuste beweging):
o Buitenste laag: Spieren lopen in de lengterichting (longitudinaal).
o Binnenste laag: Kringspieren (circulair).
FUNCTIE:
Gecoördineerde, afwisselende samentrekkingen van deze spierlagen, samen met
de tong- en keelspieren, stuwen het voedsel door de keelholte naar de
slokdarm en maken zo het slikken mogelijk.
SLOKDARM
SLOKDARM (OESOPHAGUS)
Locatie & Afmeting: De slokdarm loopt vanuit de keelholte (pharynx), door de
borstholte en het middenrif, naar de maag. Het is buisvormig en ongeveer 25 cm
lang.
, Functie: Het transporteert voedsel naar de maag via peristaltiek (een
onwillekeurige, golvende spierbeweging) die volgt op de willekeurige slikbeweging
in de keel.
DE VIER WEEFSELLAGEN ( TUNICAE) VAN HET GI-KANAAL
De wand van het spijsverteringskanaal, van de slokdarm tot de dikke darm, is uniform
opgebouwd uit vier lagen (van binnen naar buiten):
1. Slijmvlies (Tunica Mucosa): De binnenste, vochtige laag, bekleed met
oppervlakte-epitheel (dekweefsel).
2. Bindweefsellaag (Tunica Submucosa): Bevat bindweefsel, bloedvaten,
zenuwuiteinden, lymfatisch weefsel en lymfevaten. Onder slijmvlies.
3. Spierlaag (Tunica Muscularis Externa): Bestaat uit twee lagen gladde spieren:
een binnenste cirkelvormige laag (kringspieren) en een buitenste
longitudinale laag.
4. Bindweefselvlies (Tunica Serosa): De buitenste laag, bestaande uit het
buikvlies (peritoneum viscerale) dat de organen bekleedt.
ZENUWNETWERKEN
De wand van het spijsverteringskanaal bevat twee belangrijke zenuwnetwerken (die deel
uitmaken van het onwillekeurige zenuwstelsel):
Eén netwerk reguleert de afscheiding van slijm en darmsap.
Het andere netwerk reguleert de peristaltiek.
Onwillekeurig zenuwstelsel