AFWEER
DEEL 1: HET LYMFESTELSEL
Het lymfestelsel draagt bij aan de bescherming van het lichaam en het regelen van de
vochtbalans.
11.1 LYMFEVATEN
Het lymfestelsel bestaat uit 2 delen:
- Lymfevaten netwerk door het hele lichaam
- Lymfeklieren en lymfatische organen
Interstitiële ruimte
Tussen de cellen en de kleine bloedvaatjes (haarvaten) ligt de interstitiële ruimte. Deze
ruimte is gevuld met weefselvocht. Dat vocht ontstaat doordat er uit de haarvaten
vloeistof naar buiten komt. In dit vocht zitten voedingsstoffen voor de cellen, maar ook
afvalstoffen die weer afgevoerd moeten worden.
Lymfevaten
Niet al het vocht gaat vanzelf terug de bloedvaatjes in. Een deel wordt opgenomen door
de lymfevaten. Deze beginnen heel klein, als fijne openingen (lymfecapillairen) in de
weefsels. Het vocht dat hier terechtkomt heet lymfe. De lymfevaten vervoeren dit stap
voor stap terug naar het bloed.
Transport naar de lymfevaten
Het vocht komt de lymfevaten binnen doordat de druk in het weefsel vaak hoger is dan in
de lymfecapillairen. In de wanden van deze vaten zitten speciale klepjes. Die zorgen
ervoor dat vocht en eiwitten makkelijk naar binnen kunnen, maar niet meer terug naar
buiten.
Pompen in het lymfestelsel
In tegenstelling tot het bloed heeft lymfe geen hart dat het rondpompt. Het vervoer
gebeurt op andere manieren:
Kleppen in de lymfevaten zorgen dat het vocht maar één kant op stroomt.
Spierbewegingen, zoals lopen of bewegen, duwen de lymfe vooruit.
Slagaders (aterien) die naast de lymfevaten liggen geven druk door hun
kloppingen samentrekken glad spierweefsel in de grote lymfevaten.
Lymfangionen (kleine stukjes lymfevat) kunnen zelf samentrekken en werken zo
als een soort pompje.
Adempomp ( lagere druk verderop dus lymfe verplaatst zich)
Lymfoedeem
Wanneer lymfe niet goed kan worden afgevoerd, hoopt vocht zich op in de weefsels.
Dit geeft zwelling, vooral in armen of benen. Dit heet lymfoedeem. Het ontstaat
bijvoorbeeld na een beschadiging, blokkade of verwijdering van lymfevaten of
lymfeklieren. Het belemmert de uitwisseling van bloed en het weefselvocht.
, 11.2 LYMFEKLIEREN
Lymfeklieren (lymfeknopen)
Lymfeklieren zijn kleine boonvormige structuren die overal in het lichaam zitten,
bijvoorbeeld in de hals, oksels, lies en borst. Ze liggen langs de lymfevaten en
functioneren als filterstations voor de lymfe.
Functie van lymfeklieren
Lymfeklieren hebben meerdere belangrijke taken:
1. Filteren van de lymfe
o De lymfe kan bacteriën, virussen of andere afvalstoffen bevatten.
o In de lymfeknopen worden deze gevangen en afgebroken door speciale
afweercellen.
2. Afweer en bescherming
o Lymfeklieren helpen het lichaam infecties te bestrijden.
o Als lymfeklieren opgezwollen of gevoelig zijn, betekent dit vaak dat ze
actief bezig zijn met het bestrijden van ziekteverwekkers.
Belangrijke cellen in de lymfeknopen (grote groepen lymfeklieren)
1. Lymfocyten
o Dit zijn witte bloedcellen die in de lymfeknopen worden geactiveerd.
o Ze herkennen en bestrijden bacteriën, virussen en andere
lichaamsvreemde stoffen.
o Er zijn verschillende soorten:
B-lymfocyten: maken antistoffen tegen ziekteverwekkers.
T-lymfocyten: vallen geïnfecteerde cellen of kankercellen aan.
2. Macrofagen
o Dit zijn grote “opruimcellen” die afval, dode cellen en ziekteverwekkers
opeten en afbreken.
o Ze helpen ook de lymfocyten door informatie over de ziekteverwekker door
te geven, zodat deze gericht kan worden bestreden.
Door dat het actieve immuunsysteem aan de slag gaat en hard moet werken zwellen de
lymfeklieren op.
Plaats in het lymfestelsel
Lymfeklieren liggen tussen de kleinere lymfevaten en de grote lymfebuis.