1.1 ANATOMIE EN FYSIOLOGIE
Anatomie en fysiologie horen bij elkaar, maar betekenen iets verschillends:
Anatomie = de bouw van het lichaam. Het gaat over hoe ons lichaam eruitziet
vanbinnen en vanbuiten, zoals botten, spieren, organen en bloedvaten.
Fysiologie = de werking van het lichaam. Het gaat over hoe al die onderdelen
functioneren, zoals hoe het hart bloed pompt of hoe de longen zuurstof opnemen.
De connectie:
Anatomie vertelt wat er is (structuur), en fysiologie vertelt wat het doet (functie). Samen
geven ze een compleet beeld van hoe het menselijk lichaam in elkaar zit én hoe het leeft
en werkt.
Hier een eenvoudig voorbeeld met het hart:
Anatomie (bouw): het hart is een spier die in de borstkas ligt, met vier kamers
(twee boezems en twee kamers) en kleppen die de bloedstroom regelen.
Fysiologie (werking): het hart pompt bloed rond in het lichaam, zodat zuurstof
en voedingsstoffen overal terechtkomen en afvalstoffen worden afgevoerd.
De connectie: je moet eerst weten hoe het hart eruitziet (anatomie) om te begrijpen
hoe het kan pompen (fysiologie).
1.2 ATOOM TOT ORGANISME
1. Cel → de kleinste bouwsteen van je lichaam.
(bijv. een spiercel of een zenuwcel)
2. Weefsel → een groep cellen die samen hetzelfde doen.
(bijv. spierweefsel = allemaal spiercellen samen die kunnen samentrekken)
3. Orgaan → een deel van het lichaam dat uit verschillende weefsels bestaat en een
taak heeft.
(bijv. het hart, de long, de maag)
4. Orgaanstelsel → een groep organen die samenwerken aan een grotere taak.
(bijv. het spijsverteringsstelsel = mond, maag, darmen enz. die samen voedsel
verteren)
5. Organisme → meerdere orgaanstelsels alles -> het hele levende wezen, dus jij als
mens!
Kort gezegd: cellen → weefsels → organen → orgaanstelsels → organisme.
1.2.2 OVERZICHT ORGAANSTELSELS