Cellen zijn de kleinste levende eenheden, bouwstenen van het lichaam en 80 procent van
ons lichaamsvocht bevind zich in de cellen
EEN CEL BEVAT:
Celmembraan – Dun vlies dat de cel omhult, regelt wat in en uit de cel gaat.
Cytoplasma – Gelachtige substantie waarin organellen zweven; zorgt voor
transport binnen de cel. (cytosol heet de vloeistof)
Celkern (nucleus) – Bevat DNA; regelt groei, ontwikkeling en celfuncties.
Ribosomen – Kleine bolletjes die eiwitten maken; kunnen vrij in cytoplasma of op
het ER zitten.
Endoplasmatisch reticulum (ER)
- Ruw ER – Bedekt met ribosomen; maakt en transporteert eiwitten.
- Glad ER – Geen ribosomen; maakt vetten en breekt giftige stoffen af.
Golgi-apparaat – Pakt eiwitten en lipiden in en stuurt ze naar de juiste plek.
Mitochondriën – “Energiecentrale” van de cel; zet glucose om in ATP (energie).
Lysosomen – Bevatten enzymen; breken afval en oude celonderdelen af.
Vacuoles – Kleine blaasjes die water, voedingsstoffen of afval tijdelijk opslaan.
Cytoskelet – Netwerk van vezels dat de cel vorm geeft en organellen op hun plek
houdt; betrokken bij transport.
Peroxisomen – Kleine organellen die enzymen bevatten om lange vetzuren af
te breken en sommige fosfolipiden voor het celmembraan te produceren; ze
neutraliseren ook giftige stoffen zoals waterstofperoxide.
Centriolen – Helpen bij celdeling; organiseren het cytoskelet en spoeldraden.
Trilhaartjes (cilia) – Korte, haarachtige uitstulpingen op het celmembraan; bewegen
synchroon om vloeistoffen of deeltjes over het celoppervlak te verplaatsen, bijvoorbeeld
slijm in de luchtwegen.
Zweepstaart (flagel/flagellum) – Lange, dunne staartachtige
structuur; zorgt voor voortbeweging van de cel, bijvoorbeeld bij
zaadcellen.
Microvilli – Kleine, vingervormige uitstulpingen van het celmembraan; vergroten het
oppervlak van de cel voor betere opname van stoffen, bijvoorbeeld in de dunne darm.
SOORTEN CELLEN EN FUNCTIES
, Functie Type cel Wat ze doen
Fibroblasten maken
bindweefsel (collageen,
elastine) dat organen,
Verbinding van
Fibroblasten / botcellen spieren en botten verbindt.
lichaamsdelen
Botcellen geven stevigheid
aan het skelet zodat
beweging mogelijk is.
Bedekken organen en
oppervlakken (huid, darm,
Bekleding / bescherming Epitheelcellen
longen); beschermen tegen
infecties en beschadiging.
Kunnen samentrekken om
botten en organen te
Beweging Spiercellen
bewegen (skeletspier,
hartspier).
Slaan energie op in vet en
Opslaan Vetcellen (adipocyten)
isoleren het lichaam.
Detecteren en vernietigen
Bestrijden van ziekte Witte bloedcellen ziekteverwekkers zoals
bacteriën en virussen.
Verzenden elektrische
signalen; verbinden
Signalen ontvangen /
Zenuwcellen (neuronen) hersenen, ruggenmerg en
verzenden
organen; coördineren
reacties.
Zaadcellen en eicellen
Seksuele cellen
Voortplanting zorgen voor voortplanting
(gameten)
en genetische overdracht.
OSMOSE
Wat beweegt? Watermoleculen.
Richting: water van Laag (hypotoon) naar Hoog (hypertoon)
geconcentreerde opgeloste stoffen.
Waarom? Water wil de concentratie van de opgeloste stoffen gelijkmaken
(verdunnen).
Voorbeeld: Een cel in zout water → water gaat uit de cel naar het zoute milieu.
DIFFUSIE
Wat beweegt? Opgeloste stoffen (zoals zuurstof, koolstofdioxide).
Richting: Van hoog naar laag (van veel naar weinig).
Waarom? Moleculen bewegen vanzelf mee met het concentratieverschil, tot het
gelijk verdeeld is.