Hoofdstuk 1: Introductie
1.1 Wat is ontwikkelingspsychopathologie?
De wetenschap waarin psychische stoornissen worden bestudeerd.
1.1.1 Vroeger en nu
Ontwikkelingsbenadering wordt toegepast men gaat uit van de veronderstelling dat
gedrags(mogelijkheden) in de loop van iemands leven veranderen, complexer worden.
Wisselwerking
Vroeger is van invloed op de huidige kenmerken van een persoon. De oorzaak van
psychopathologie ligt niet per definitie in het verleden. Vroegere ervaring beïnvloeden hoe
iemand in het heden staat, maar ook vice versa.
Ontwikkelingsopgave
Idee achter deze theorie is dat een kind (ook een volwassene) in elke leeftijdsfase bepaalde
opgaven moet zien te volbrengen. Als dergelijke vaardigheden niet goed worden verworven,
wordt kans op problematiek grote.
1.2.2 Een dynamisch gezichtspunt
Afwijkend gedrag is dynamisch; soms heb je er last van, soms niet, soms veel, soms weinig.
Verschijningsvorm van afwijkend gedrag verandert.
1.1.3 Een uniek individu met unieke ervaringen
Vaak zijn factoren die het ontstaan van gedrag beïnvloeden anders dan die welke later het
gedrag in stand houden, en die kunnen op hun beurt weer verschillen van de factoren die het
gedrag verergeren.
Hoofdstuk 2: Classificatie, diagnostiek en epidemiologie
2.1 Inleiding
Classificatiesystemen zijn systematische beschrijvingen van gedrag op basis van door
wetenschappers onderscheiden en gegroepeerde gedragskenmerken, met als doel gedrag in te
delen. Diagnostiek gaat een stapje verder. Behalve gedragskenmerken wordt ook vastgesteld of
een kind lijdt onder problemen, behoefte heeft aan hulp en wel of niet optimaal functioneert.
Epidemiologisch onderzoek beantwoord de vraag hoeveel kinderen last hebben van de
problemen.
2.2 Classificatie
2.2.1 Definitie van classificatie
Het is niet meer en niet minder dan iets herkennen en er de juiste naam aan geven en het
vervolgens indelen in een categorie.
Cultuur- en plaatsgebonden
,Om onderscheid te maken, maken we gebruik van kennis, en deze kennis is gebonden aan de
persoon en de tijd en cultuur waarin hij leeft.
Leren classificeren
Het onderscheiden is een leerproces dat levenslang doorgaat.
Mogelijkheid tot ordening
Classificatie biedt de mogelijkheid tot ordening: het leidt tot een beter begrip van wat
verschillend en wat hetzelfde is en brengt de wereld in kaart. Een goed classificatiesysteem
waarmee onderscheid gemaakt kan worden tussen verschijnselen maar tevens overeenkomsten
gezien kunnen worden en nieuwe verschijnselen kunnen worden ingedeeld, wordt gezien als de
basis van een wetenschap.
Classificatiesystemen
Hiermee worden psychische stoornissen herkend, ingedeeld, en onderscheiden. Kennis
gebaseerd op classificatie is kennis over een groep.
2.2.2 Categoriale benadering van classificatie: DSM
DSM is het belangrijkste systeem bij het classificeren van psychische stoornissen.
De geschiedenis
Eerste classificatiesystemen hadden vooral een medische, en daarmee somatische oriëntatie. De
definitie van een psychische stoornis volgens de DSM: “Syndroom, gekenmerkt door klinisch
significante symptomen op het gebied van e cognitieve functies, die emotieregulatie of het
gedrag van een persoon, dat een uiting is van een disfunctie in de psychologische, biologische,
of ontwikkelingsprocessen die ten grondslag liggen aan het psychische functioneren. Psychische
stoornissen gaan gewoonlijk gepaard met significante lijdensdruk of beperkingen in het
functioneren op sociaal of beroepsmatig gebied of bij andere belangrijke bezigheden.”
Uitgangspunten van DSM
Afspraken over hoe een stoornis wordt gedefinieerd door de kenmerken. Symptomen zijn een
beschrijving, niet een verklaring.
Aantal, duur en impact van de symptomen
Vaststelling van minimumaantal van symptomen die aanwezig moet zijn zegt wat over de ernst.
Ook vrijwel altijd en termijn gedefinieerd voor aanwezigheid van problemen.
Denken in categorieën
Uitgangspunt is dat klachten van een hulpvrager zijn in te delen in duidelijk te onderscheiden
categorieën van stoornissen. Dit wordt nog weleens bekritiseerd. Hoe meer symptomen, hoe
ernstiger de stoornis.
Comorbiditeit: meerdere stoornissen tegelijkertijd
,Comorbiditeit wordt gebruikt als stoornissen tegelijkertijd voorkomen. Bij kinderen is dat eerder
regel dan uitzondering, gezien zij nog in de ontwikkeling zijn en tegelijkertijd verschillende
kenmerken van verschillende stoornissen hebben.
2.2.3 Dimensionale benadering van classificatie
In DSM wordt het categoriaal benaderd: alles of niets. Is dat wel goed? Norm wordt meestal
gedefinieerd aan de hand van een percentielscore.
2.2.4 Vergelijking tussen categoriaal en dimensionaal classificeren
Categoriaal Dimensionaal
Ja of nee Ja, soms, nee
Plus of min Heel vaak, vaak, enkele keer, nooit
Wel of geen alcoholmisbruik Aantal genuttigde glazen per week
Wel of geen obesitas Uitslag op BMI
IJs of water Aantal graden Celsius van H20
2.3 Diagnostiek
Bij diagnostiek proberen we op individueel niveau antwoord te vinden op vragen als: Hoe is dit
bij dit kind zo gekomen? Begrijpen en verklaren wat hulpverlener waarneemt bij een uniek kind.
Classificatie Diagnostiek
Wat is er aan de hand? Hoe is dat zo gekomen?
Algemene kennis Specifieke kennis
Beschrijvend Verklarend
Betreft groepen Betreft een individu
Gedragskenmerken Meerdere niveaus van persoon en context
Relatief snel te stellen Tijdrovend proces
Geeft enige richting aan hulpverlening Is voorwaardelijk voor hulpverlening
Het gezin
Bij hulpverlening aan kinderen is het van belang om veel aandacht te besteden aan
gezinsonderzoek, want de ontwikkeling van kinderen wordt in hoge mate beïnvloed door het
gezinsfunctioneren. Kijk ook naar de sterke punten. Stel leden van het gezin vragen
(gezinsinterview).
2.4 Diagnostische methoden en instrumenten
2.4.1 Vier diagnostische methoden
1. Diagnostisch gesprek
Luisteren, vragen stellen, en observeren. Vraag naar gerichte momenten, tijdsverloop, et cetera.
Observatie verschaft informatie over de toestand van een hulpvrager. Tijdens de eerste
gesprekken wordt meestal een anamnese afgenomen (= voorgeschiedenis van een stoornis). Een
klachtgeschiedenis die de persoon met problemen zelf toelicht noemen we een autoanamnese.
, Een heteroanamnese is gebaseerd op informatie van anderen. Beschik over empathische
vaardigheden, acceptatie en zelfkennis.
2. Observeren
Observeren is opzettelijk, doelgericht en systematisch waarnemen. Kunnen aanvullingen geven
op een eerder gestelde classificatie en/of diagnose.
3. Psychodiagnostiek
Wordt gebruikgemaakt van vragenlijsten, testen en beoordelingsschalen. Verschillende soorten:
- Functietesten: meten een bepaalde functie (bijv. intelligentie, geheugen)
- Zelfinvullijsten: problematiek/kenmerk meten
- Projectieve testen: aanbieden van onduidelijke stimuli en vragen wat een kind denkt bij
zo’n stimulus, of wat het voorstelt (bijv. Rorschachtest)
4. Lichamelijk onderzoek
Alleen een arts doet dit. Vooral bij kinderen nodig om lichamelijke oorzaken van een probleem
uit te sluiten.
2.4.2 Betrouwbaarheid en validiteit bij classificatie en diagnostiek
Betrouwbaarheid betekent nauwkeurigheid. Twee aspecten: overeenstemming (tussen oordelen
van verschillende onderzoekers = interbeoordelaarsbetrouwbaarheid) en standvastigheid
(stabiel blijven van een uitspraak bij verstrijken van tijd = test-hertestbetrouwbaarheid).
Validiteit gaat om de bruikbare interpretatie van wat je hebt gemeten. Hou rekening met
specifieke kenmerken van de hulpvrager, zijn ontwikkelingsfase en culturele achtergrond.
2.4.3 Betrouwbarheid van de informanten
Zijn meningen van informanten betrouwbaar en valide? Kinderen kunnen bij verschillende
volwassenen verschillend gedrag vertonen. Overeenstemming tussen informanten doorgaans
niet groot. Meer overeenstemming over externaliserend probleemgedrag. Weliswaar
verschillend, maar vaak betrouwbaar en valide. Ga niet uit van één informant.
2.5 Epidemiologie
Volgende vragen aan de orde:
- Hoeveel kinderen hebben stoornis A of B?
- Hoe kunnen kinderen met stoornis A of B geïdentificeerd worden?
- Komen stoornis A of B tegenwoordig zo vaak voor als 30 jaar geleden?
- Welke factoren bepalen de grootte van de kans dat een kind de stoornis krijg en welke
factoren bepalen dat een kind juist beschermd wordt tegen het probleem?
- Hoeveel hebben professionele hulp nodig?
- Hoe is het beloop van stoornis A of B van kindertijd tot volwassenheid en welke factoren
zijn van invloed hierop?
Prevalentie en incidentie