Samenvatting, Toelatingstoets Erasmus psychologie
Leren door begrippen!
Voor aankoop, eerst het advies om enkele bladzijde in te zien!
Bij voldoende animo zal er ook een oefenexamen komen, mogelijk t.z.t. beschikbaar in bundel!
Door: Studiebegrip, Leer door begrippen.
1
,Gemaakt door: StudieBegrip
Blok 1: Klinische Psychologie
Normaal of Abnormaal (deviant) gedrag
Continium model of behavior = een schaal waarop normaal of abnormaal ligt.
Hoe bepaal je of gedrag normaal of abnormaal is?
Dit is moeilijk te bepalen omdat er niet één type gedrag normaal of abnormaal is.
IQ als voorbeeld:
Het Gemiddeld IQ is 100,
De standaard afwijking bij IQ scores is 15.
Stel iemand heeft een IQ van 70, dan is dit deviant,
maar ook 130, men wijkt meer dan 15 af van
2
, Gemaakt door: StudieBegrip
De 4 D’s als indicatoren voor abnormaliteit:
1. Deviance (afwijkend) = gedrag dat statistisch zeldzaam en/of ongewenst is.
2. Distress (angst) = gedrag/gevoelens die emotionele pijn geven.
3. Dysfunction (disfunctie) = gedrag dat het functioneren belemmert.
4. Dangerousness (gevaarlijkheid) = gedrag dat gevaarlijk kan zijn voor jezelf of anderen.
Meer criteria:
1. Irrationaliteit of onvoorspelbaarheid.
2. Misperceptie van de realiteit.
3. Sociale discomfort, b.v. hele bioscoop is leeg, maar toch langs de onbekende gaan zitten.
4. Maladaptiveness = wanneer je je niet kunt aanpassen aan je omgeving.
Not sufficient = niet iedereen die het meemaakt, heeft een stoornis.
Not necessary = niet iedereen met een stoornis heeft er last van.
Anxiety (angst) = algemeen gevoel van vrees voor toekomstige gevaren.
Fear = reactie op direct gevaar.
Obsessies = aanhoudende ongewenste gedachten.
Compulsies = herhaald gedrag dat uitgevoerd moet worden door de obsessie.
Overeenkomsten tussen fear en anxiety:
1. Cognitief/subjectief = gedachten zoals "ik ga dood".
2. Fysiologisch = lichamelijke reacties, zoals verhoogde hartslag.
3. Gedragsmatig = vermijden, vluchten.
Waarom is OCD geen angststoornis?
Omdat angst niet gebruikt wordt als indicator voor de ernst van OCD.
OCD zit neurobiologisch anders in elkaar.
5 DSM-5 stoornissen:
1. Specifieke fobie
2. Sociale angststoornis
3. Paniekstoornis
4. Agorafobie
5. Gegeneraliseerde angststoornis
Neuroticisme = emotionele instabiliteit.
Fobie = angst voor een specifiek object of situatie.
Blood–injection–injury fobie = angst voor bloed/prikken
Agorafobie = vermijden van drukke sociale ruimtes, paniek, bang voor lichamelijke reacties..
3