Interindividuele verschillen: verschillen tussen individuen
Intergroepverschillen: verschillen tussen groepen
Intra-individuele verschillen: binnen een persoon (condities, situaties etc)
Proximale verklaring: factoren die in de tijd samengaan met te verklaren verschillen
Distale verklaring: factoren die verderaf liggen in de tijd
Inputs: invloeden van buitenaf
Decision rules: het laten nadenken over bepaalde zaken
Outputs: het gedrag wat ze vertonen op basis van input en decision rules
Input decision rules output
Organized: alle karakterkenmerken zijn met elkaar gelinkt. Karakterkenmerken passen zich aan elkaar
aan.
Influential forces: karaktereigenschappen hebben effect op anderen.
Evocatie: onbewuste reactie op anderen
De mens heeft 3 levels:
- Je bent zoals iedereen (iedereen spreekt een taal)
- Je bent zoals een paar (de een is introvert, de andere extravert)
- Je bent uniek (de manier waarop iemand een emotie toont)
Nomothetische benadering: algemene regels stellend
Idiografische benadering: beschrijving van 1 persoon
Wetenschappelijke standaarden:
Heuristieke waarde: leidt theorie tot nieuwe ontdekking? Laat de theorie ons tot nieuwe
bevindingen komen?
Spaarzaamheid: bevat de theorie weinig voorstellen en assumpties?
Predicties: kan de theorie empirisch getest worden?
Omvattendheid: verklaart de theorie al de feiten en observaties in zijn domein?
Interdisciplinair: theorie mag geen principes tegengaan uit andere domeinen
Persoonlijkheid wordt bepaald door:
- Dispositioneel domein: hoe verschillen mensen van elkaar?
- Biologisch domein: mensen zijn collecties van biologische systemen en dit zijn bouwstenen voor
gedrag, gedachten en emoties.
- Intrapsychisch domein: onbewuste emoties.
- Cognitieve ervaringsdomeinen: bewuste gedachten, overtuigingen en subjectieve gevoelens zijn
belangrijk om personen te begrijpen
- Sociale en cultureel domein: persoonlijkheid heeft invloed op en wordt beïnvloed door de sociale
en culturele context
- Aanpassingsdomein: persoonlijkheid is cruciaal in hoe we omgaan met en ons aanpassen aan
dagelijkse zaken
Disfunctionele eigenschappen: persoonlijkheidsstoornissen
Perceptie; de manier waarop persoon de wereld waarneemt
Universaliteit: elk mens is zoals alle anderen
Need to belong: de drang om ergens bij te willen horen
, Hoofdstuk 2
S-data: self report. Zelfrapportering, data van de persoon door middel van interview/vragenlijst.
Ongestructureerd: open vragen, autobiografie, 20 statement test. Nadeel hieraan is dat het moeilijk te
toetsten is.
Gestructureerd: zelfrapporteringsvragenlijst waar/niet waar. Nadeel hieraan is dat het weinig
genuanceerd is.
Nadelen S-data:
- Alexithymie: bepekering in het voelen van je eigen gevoelens
- Gevoelig voor biassen (sociale wenselijkheid, zelfrepresentatie, geheugenbiassen)
- Afhankelijk van motivatie, capaciteit van persoon
O-data: observer report: observatiegegevens. Evaluaties van anderen in zijn directe omgeving.
Inter-rater reliability: in hoeverre komen de verschillende observaties overeen?
Naturalistisc observation: natuurlijke omgeving (bijvoorbeeld conflicthantering in gezin)
Artificial observation: bijvoorbeeld in het lab
Nadelen O-data: biassen. Agressieve mensen zien meer agressie bij anderen bijvoorbeeld. Het
voordeel is dat er meerdere observatoren zijn dus controle.
T-data: test data. Meten van associaties tussen concepten. Bijvoorbeeld reactietijden. Dit gaat om
gestandariseerde testen zoals reacties op bepaalde stimuli. Rorschach-test is een voorbeeld. Reactie op
stimuli wordt daarbij gemeten.
Nadeel T-data: risico voor faken, ecologische validiteit (voorgestructureerd gedrag in plaats van
alledaags gedrag.
Actometer: mechanische registratieapparatuur. Belang van herhaalde metingen.
Fysiologische data: autonome zenuwstelsel. Bijvoorbeeld de eyeblink startle reflex: gaat over het
knipperen met de ogen. Als je schrikt ga je sneller knipperen.
Projectieve technieken: Rorschach test: test waarbij je een plaatje ziet bestaande uit vlekken en je moet
vertellen wat je ziet.
L-data: test data. Gegevens over het leven van mensen (opleiding, trouwen). S-data en O-data gebruiken
om L-data te voorspellen. Dit is rijke, levensechte, objectieve data.
Triangulation: het wegmiddelen van specificiteit van bron. Dus onderzoek doen naar uitkomsten die
databronnen overtreffen.
Betrouwbaarheid: gevoeligheid van een meting voor onbedoelde fluctuaties of variaties van de
meetresultaten (meetfouten). Over tijd, tussen items van een zelfde test en tussen onafhankelijke
beoordelaars.
- Test-hertest betrouwbaarheid: de gegevens zijn ehtzelfde wanneer de test nogmaals gedaan
wordt
- Interne consistentie: wordt meestal uitgedrukt in alpha coëfficient.
- Interbeoordelaarsbetrouwbaarheid: Cohens Kappa.
Validiteit: zonder betrouwbaarheid, geen validiteit. Echter: test kan heel betrouwbaar zijn maar niet
valide.
- Gezichtsvaliditeit: meten wat het moet meten.
- Inhoudsvaliditeit: komen de essentiële elementen van een bepaald verschijnsel aan bod in de
test?
- Predictieve validiteit: kan de test een extern criterium voorspellen?
- Convergente validiteit: correleert de test met andere tests van dezelfde eigenschap?
- Discriminante validiteit: meet de test behalve wat het moet meten nog andere dingen?
- Construct validiteit: meet de test het theoretische construct dat het bedoelt te meten?