100% satisfaction guarantee Immediately available after payment Both online and in PDF No strings attached 4.2 TrustPilot
logo-home
Summary

Samenvatting Juridische en gedragswetenschappelijke aspecten van POLITIE

Rating
-
Sold
-
Pages
173
Uploaded on
27-12-2025
Written in
2024/2025

- 14/20 gehaald :) - Hierbij mijn samenvatting met ALLE lesnotities en de reader er mee in verwerkt! Bij vragen over afkortingen of dergelijke is DM altijd mogelijk!

Institution
Course

















Whoops! We can’t load your doc right now. Try again or contact support.

Written for

Institution
Study
Course

Document information

Uploaded on
December 27, 2025
File latest updated on
December 28, 2025
Number of pages
173
Written in
2024/2025
Type
Summary

Subjects

Content preview

JURIDISCHE EN
GEDRAGSWETENSCHAPPELIJKE
ASPECTEN VAN DE POLITIE 👮
Criminologie




KU LEUVEN
PROF. VAN DAELE
2024-2025

, INHOUDSOPGAVE

INLEIDING: DE POLITIEFUNCTIE, HET POLITIEBESTEL EN HET POLITIERECHT .................................. 0

3 centrale begrippen ..................................................................................................................... 0

DEEL 1. DE HISTORISCHE ACHTERGRONDEN VAN HET HUIDIGE BELGISCHE POLITIEBESTEL .......... 3
HOOFDSTUK I. DE PERIODE VÓÓR DE BELGISCHE ONAFHANKELIJKHEID ......................................... 3
I.1. De Franse oorsprong van de “Belgische” politie ........................................................................ 3
I.2. Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden ................................................................................. 4
HOOFDSTUK II. DE ONTWIKKELINGEN VANAF DE BELGISCHE ONAFHANKELIJKHEID TOT AAN DE
TWEEDE WERELDOORLOG .............................................................................................................. 5
II.1. De uitbouw van de rijkswacht.................................................................................................. 5
II.2. Het (dis)functioneren van de gemeentepolitie en de landelijke politie ....................................... 5
II.3. 1919: de oprichting van de gerechtelijke politie bij de parketten................................................ 6
II.4. De ontwikkelingen in de periode 1919-1940 ............................................................................. 7
HOOFDSTUK III. HET POLITIEBESTEL TIJDENS DE DUITSE BEZETTING ................................................ 7
III.1. De Militärverwaltung .............................................................................................................. 7
III.2. De demilitarisering en reorganisatie van de rijkswacht ............................................................ 8
III.3. De centraal beheerde gemeentepolitie ................................................................................... 8
III.4. De niet doorgevoerde hervorming van de gerechtelijke politie .................................................. 8

HOOFDSTUK IV. HET POLITIEBESTEL IN DE PERIODE 1944-1980 ....................................................... 8
IV.1. Het herstel van het vooroorlogse politiebestel ........................................................................ 8
IV.2. De stelselmatige uitbouw en versterking van de rijkswacht ..................................................... 9
IV.3. Het status quo inzake de gemeentepolitie ............................................................................ 10
IV.4. Punctuele ingrepen in de organisatie van de gerechtelijke politie ........................................... 10
IV.5. De zaak-François ................................................................................................................ 11
HOOFDSTUK V. HET POLITIEBESTEL IN DE PERIODE 1980-1995 .......................................................11
V.1. Groeiende onrust over het Belgische politiebestel: het Heizeldrama, de C.C.C. en de Bende van
Nijvel.......................................................................................................................................... 12
V.2. Het rapport van de parlementaire onderzoekscommissie Bende van Nijvel (1990)................... 13
V.3. Het Pinksterplan van de regering Martens VIII (1990) .............................................................. 15
V.4. De verhouding tussen de rijkswacht en de gemeentepolitie.................................................... 18
V.5. De verhouding tussen de rijkswacht en de gerechtelijke politie (GPP) ..................................... 18
HOOFDSTUK VI. NAAR EEN REORGANISATIE VAN HET POLITIEBESTEL .............................................19
VI.1. Het regeerakkoord van de regering Dehaene II ...................................................................... 19
VI.2. Het rapport van de parlementaire onderzoekscommissie Dutroux (1997) .............................. 20
VI.3. De reactie van de regering Dehaene II................................................................................... 21
VI.4. Het Octopus-akkoord (1998)................................................................................................ 23

DEEL 2. DE GEÏNTEGREERDE POLITIEDIENST, GESTRUCTUREERD OP TWEE NIVEAUS .................... 25
HOOFDSTUK VII. DE KRACHTLIJNEN VAN DE WET VAN 7 DECEMBER 1998 .......................................25
HOOFDSTUK VIII. DE LOKALE POLITIE .............................................................................................26
VIII.1. Het lokale niveau in de politie-organisatie .......................................................................... 26
VIII.2. De opdrachten van de lokale politie ................................................................................... 27
VIII.3. De interne organisatie van de lokale politie ......................................................................... 31
VIII.4. De externe organisatie van de lokale politie ........................................................................ 33

, HOOFDSTUK IX. DE FEDERALE POLITIE ...........................................................................................40
IX.1. Het federale niveau in de politie-organisatie ......................................................................... 40
IX.2. De opdrachten van de federale politie .................................................................................. 42
IX.3. De interne organisatie van de federale politie ....................................................................... 44
IX.4. De externe organisatie van de federale politie ....................................................................... 50
HOOFDSTUK X. EEN TERUGBLIK EN EEN TOEKOMSTVISIE ................................................................53
X.1. De parlementaire onderzoekscommissie naar de terroristische aanslagen van 22 maart 2016. 53
X.2. De Staten-Generaal van de politie (2021-2023) ...................................................................... 58
X.3. Het regeerakkoord van de regering-De Wever (2025) .............................................................. 58

DEEL 3. OPDRACHTEN VAN BESTUURLIJKE POLITIE VERSUS OPDRACHTEN VAN GERECHTELIJKE
POLITIE ....................................................................................................................................... 60
HOOFDSTUK XI. OPDRACHTEN VAN BESTUURLIJKE POLITIE ............................................................60
XI.1. Begrip en ratio legis ............................................................................................................. 60
XI.2. Openbare orde: een abstract, evolutief, ruim en dynamisch concept ..................................... 60
XI.3. Concretisering van het toezicht op de handhaving van de openbare orde ............................... 63

HOOFDSTUK XII. OPDRACHTEN VAN GERECHTELIJKE POLITIE .........................................................65
XII.1. Begrip en ratio legis ............................................................................................................ 65
XII.2. De proactieve recherche..................................................................................................... 66
HOOFDSTUK XIII. DE RELATIVITEIT VAN HET ONDERSCHEID TUSSEN BESTUURLIJKE EN
GERECHTELIJKE POLITIE .................................................................................................................73
XIII.1. Uitgangspunt..................................................................................................................... 73
XIII.2. De bestuurlijke aanpak van (georganiseerde) criminaliteit ................................................... 74

DEEL 4. DE BESTUURLIJKE EN GERECHTELIJKE POLITIONELE BEVOEGDHEDEN.............................. 85
HOOFDSTUK XIV. HET BETREDEN EN DOORZOEKEN VAN PLAATSEN ...............................................85
XIV.1. Het betreden van plaatsen ................................................................................................. 85
XIV.2. Het doorzoeken van plaatsen............................................................................................. 88
HOOFDSTUK XV. HET DOORZOEKEN VAN VOERTUIGEN ..................................................................92
XV.1. Het begrip en de ratio legis ................................................................................................. 92
XV.2. De toepassingsvoorwaarden .............................................................................................. 92
XV.3. De procedure ..................................................................................................................... 93
HOOFDSTUK XVI. DE BESTUURLIJKE INBESLAGNEMING ..................................................................97
XVI.1. Het begrip en de ratio legis................................................................................................. 97
XVI.2. De toepassingsvoorwaarden.............................................................................................. 97
XVI.3. De procedure .................................................................................................................... 98

HOOFDSTUK XVII. DE IDENTITEITSCONTROLE .................................................................................98
XVII.1. Het begrip en de ratio legis ................................................................................................ 98
XVII.2. De toepassingsvoorwaarden............................................................................................. 99
HOOFDSTUK XVIII. DE FOUILLERING ............................................................................................. 101
XVIII.1. Het begrip en de ratio legis ............................................................................................. 101
XVIII.2. De drie klassieke vormen van fouillering ......................................................................... 102
XVIII.2.2. De procedure ............................................................................................................. 103
XVIII.3. De specifieke regeling van de fouillering met volledige ontkleding .................................... 104
HOOFDSTUK XIX. DE BESTUURLIJKE EN GERECHTELIJKE ARRESTATIE ............................................ 105
XIX.1. De bestuurlijke arrestatie................................................................................................. 105

, XIX.2. De gerechtelijke arrestatie ............................................................................................... 108
HOOFDSTUK XX. HET VERHOOR ................................................................................................... 111
XX.1. Het begrip en de ratio legis................................................................................................ 111
XX.2. De toepassingsvoorwaarden van verhoor .......................................................................... 111
XX.3. De procedure van het verhoor ........................................................................................... 112
HOOFDSTUK XXI. HET GEBRUIK VAN GEWELD, BOEIEN EN VUURWAPENS ..................................... 131
XXI.1. Het begrip en de ratio legis ............................................................................................... 131
XXI.2. De toepassingsvoorwaarden ............................................................................................ 131
XXI.3. De procedure .................................................................................................................. 133

DEEL 5. HET TOEZICHT EN DE AANSPRAKELIJKHEID .................................................................... 135
HOOFDSTUK XXII. HET TOEZICHT OP DE LOKALE EN DE FEDERALE POLITIE ................................... 135
HOOFDSTUK XXIII. DE AANSPRAKELIJKHEID VAN DE POLITIEAMBTENAAR ...................................... 144
XXIII.1. De strafrechtelijke aansprakelijkheid.............................................................................. 144
XXIII.2. De burgerrechtelijke aansprakelijkheid ........................................................................... 144
XXIII.3. De tuchtrechtelijke aansprakelijkheid............................................................................. 147

DEEL 6. HET OPENBAAR MINISTERIE ........................................................................................... 148
HOOFDSTUK XXIV. DE ORGANISATIE EN WERKING VAN HET OPENBAAR MINISTERIE...................... 149
XXIV.1. Het openbaar ministerie op arrondissementeel niveau (1ste krachtlijn) ............................. 149
XXIV.2. De parketten-generaal (2de krachtlijn) ............................................................................. 150
XXIV.3. Het college van procureurs-generaal (3de krachtlijn) ........................................................ 152
XXIV.4. Het federaal parket (4de krachtlijn) .................................................................................. 153

HOOFDSTUK XXV. DE VERHOUDING TUSSEN HET OPENBAAR MINISTERIE EN DE POLITIE .............. 160
XXV.1. De informatieplicht van de politie.................................................................................... 160
XXV.2. Het aanwijzings- en vorderingsrecht van het openbaar ministerie ..................................... 160
XXV.3. Het capaciteitsvraagstuk ................................................................................................ 161
XXV.4. De richtlijnen inzake gerechtelijke politie ......................................................................... 161
XXV.5. De coördinatie tussen het openbaar ministerie en de politie ............................................ 161

EXAMEN .................................................................................................................................... 167

, INLEIDING: DE POLITIEFUNCTIE, HET POLITIEBESTEL EN HET
POLITIERECHT
Niet in reader

3 centrale begrippen

1. POLITIEFUNCTIE
Wat is de toegevoegde waarde van politie?
- Je kan er met juridische perspectief (benadering vanuit rechtssysteem) naar kijken
o Definitie: het is een institutionele functie ter bescherming van de maatschappelijke orde
en tot regeling ervan met het oog op het mogelijk maken van de uitoefening van
fundamentele rechten waarbij je een verstoring van de maatschappelijke orde probeert te
voorkomen – en als voorkomen niet lukt, dan zo snel als mogelijk al het nodige doen om
de verstoring te doen ophouden
o Elementen van de definitie:
§ Een institutionele functie: het verwijst naar instellingen
• 2 soorten instellingen:
o Politie instellingen = lokale, federale, wijksagenten,...
o Politie overheden = bestuurlijke en gerechtelijke overheden
§ Doel: maatschappelijke orde vrijwaren
• Politie bepaalt de maatschappelijke orde niet want het wordt democratisch
bepaald door parlement en regering
• Politie moet die net beschermen en moet verstoring voorkomen! Als voorkomen
niet lukt dan moeten ze zsm optreden om het te doen ophouden; ze zijn namelijk
de gewapende arm van de overheid
§ Uitoefening van fundamentele rechten mogelijk maken
• Vb: betogen -> dit kan leiden tot uiteenlopen van maatschappelijke orde door als
autos in brand, gevechten,...
• Vb rock werchter -> ticket is duur maar het kost de maatschappij veel meer door
politie inzet en controles – net zoals bij voetbalmatches
• WPA: art 1, 2, 3
• WGP (wet geïntegreerde politiedienst) – 7 dec 1998 (Organisatiewet)
o Art 123: als politie moet je altijd je medeburgers beschermen en hen
bijstand moet verlenen


- Je kan er met operationeel criminologisch perspectief naar kijken (wat betekent het qua werk – wat
verwachten we van de politie)
o 5 aspecten van de politiefunctie (RORON)
§ R aadgevende functie = vermijden dat er slachtoffers ontstaan
• Richting bevolking, minister, burgemeester
• Vb bericht politie over fishing dat criminelen zich voordoen als iemand
anders waardoor je op een link duwt of geld overschrijft
• Vb preventiecampagne
§ O ntradende functie = je moet degene die de plannen hebben ontraden dus
preventief werken
• Bv politie als burgers op straat, camera’s, verlichting
§ R egulerende functie = onveilige situatie die we niet konden voorkomen moeten
we terug onder controle krijgen
• Vb op hotsposts speciale cameras hangen, op oude markt of op onveilige
situaties



C.V.B. 0

, § O nderzoekende functie = als er een misdrijf is of als het al gebeurd is
(gerechtelijke opdracht)
• Vb proberen de daders te vatten
§ N azorg = SO en nabestaanden moeten zorg krijgen en hulp – de politie moet
doorverwijzen naar de specifieke diensten, instellingen etc.
• Er is ook een raadgevende functie hierin namelijk gratis preventieadvies
met info over dat je sloten niet goed waren, tuin niet goed afgesloten,.. de
zaken hangen samen

Geweldsmonopolie = Politie is de enige overheidsorganisatie die in vredestijd geweld mag gebruiken
Wat met wettige verdediging?
Het kan leiden tot dodelijk geweld
Het is gevaarlijk want politie heeft de alleenheerschappij dus ze zijn machtig en daar is snel misbruik van
è Politie overheden moeten daarom toezicht houden op de politie

3 opdrachten die samenvatten wat een politie moet doen in een samenleving
• opdrachten bestuurlijke politie
o bestuurlijke aard met als doel het in stand houden van openbare orde
§ bv zien dat een betoging, verkiezingsdag, RW ordentelijk verloopt
• eerst moet je melding doen dat je een betoging gaat doen
• als je betoging goed gebeurt dan blijf je hier dus bij bestuurlijk politie
maar vanaf verstoring door raam kapot dan gerechtelijke politie
§ je probeert een verstoring te voorkomen en anders zsm optreden om het te
beïndigen
• opdrachten gerechtelijke politie
o trefwoord strafrecht en misdrijven: doodslag, verkrachting, afpersing,..
• sterke arm verlening
o je hebt het geweldsmonopolitie dus er wordt gebruikt gemaakt van de politie bij andere
functies
o bv binnen vallen door milieuinspectie met als sterke arm verlening politie
o bv gerechtsdeurwaarder dat jou nodig heeft bij een interventie

De functies kunnen in elkaar overlopen:
- bestuurlijke politie -> gerechtelijke politie
o Bv. ordehandhaving op Rock Werchter (bestuurlijke opdracht), maar er is openbaar dronkenschap,
drugsgebruik: gaat over naar gerechtelijke politie want dit zijn misdrijven.
o Alcoholcontroles in het verkeer: niemand blaast positief: blijft bestuurlijke politie. Anders gaat het
over naar gerechtelijke politie.
- gerechtelijke politie -> bestuurlijke politie
o Bv. als je in een gevoelige wijk iemand arresteert of een huiszoeking doet kan het dat de gerechtelijke
opdracht ontaard in ordeverstoringen.




2. POLITIEBESTEL
Hoe richt ik politiediensten in qua bestel?
- Politieapparaat = reguliere politiediensten, de “gewone”/reguliere politiediensten met de
algemene opdrachten op vlak van ordehandhaving en gerechtelijke dossiers
VOOR 1998 waren er 3: de rijkswacht, de GPP en de gemeentelijke politie




C.V.B. 1

, NA 1998
- Lokale politie
- Federale politie

er zijn ook bijzondere politiediensten: deze diensten hebben een meer gespecialiseerde opdracht
- voor 1998: luchtvaartpolitie, zeevaartpolitie, spoorwegpolitie – de wegpolitie zat in de
rijkswacht dus geen bijzondere dienst
- na 1998: zijn ze als aparte dienst WEG en zijn ze deel van de federale politie -> het zijn nu
directies binnen de federale politie dus er zijn er vandaag geen in belgie

- art 3, 3de lid WPA: begrip politieambtenaar
o kan bepaalde politiemaatregelen nemen of uitvoeren

- art 3, 2de lid WPA: begrip politieoverheden
o een overheid die juridische politiemaatregelen kan nemen of uitvoeren

Verhouding tussen die politieambtenaar en politieoverheid is zeggenschap
ð Zeggenschap bestaat uit 3 elementen:
- Gezag
o De concrete opdrachten van een bevoegde OH
o Wie bepaalt of je nu iemand mag ondervragen, wie bepaalt of je een huiszoeking mag
doen?
- Beheer
o De middelen dat de politie in staat stelt om hen te laten doen wat ze moeten doen
o bv budget nodig, nieuwe wapens, extra cellen, gebouwen,...
o gezag zonder beheer is lege doos
- Beleid
o Er zijn altijd middelen tekort dus prioriteiten stellen en keuzes maken voor wat je wil doen
o je kan niet bestuurlijk alles doen en ook niet gerechtelijk dus keuzes maken
o bv niet elke inbraak onderzoeken




3. POLITIERECHT
Het is een functioneel rechtsdomein
Je plukt normen uit allemaal andere rechtstakken zoals van strafrecht, administratief recht,...




C.V.B. 2

, DEEL 1. DE HISTORISCHE ACHTERGRONDEN VAN HET HUIDIGE
BELGISCHE POLITIEBESTEL

HOOFDSTUK I. DE PERIODE VÓÓR DE BELGISCHE ONAFHANKELIJKHEID
Niet in reader

Grote krachtlijnen/vraagstukken:
• De vraag naar verhouding centraal niveau en het lokale niveau (gemeenten)
o bv in welke mate is er centrale sturing van federaal niveau op lokale politiezorg?
o bv in welke mate luisteren burgemeesters naar hogere nationale overheden?
• De positie van de minister van binnenlandse zaken in het politiebestel
• De positie van minister van justitie in het politiebestel
o Zijn sturingsmacht in politiebestel
• De verhouding bestuurlijke opdrachten tov gerechtelijke opdrachten
o De taakverdeling tussen de verschillende politiediensten: allemaal zelfde taak
• Het strategisch denken van de rijksmacht
• Een actuele toestand dat geanalyseerd wordt vanuit historisch perspectief



I.1. De Franse oorsprong van de “Belgische” politie
We gaan terug naar oorsprong van het modern politiebestel: dat is in Frankrijk
Dit is de periode voor de onafhankelijkheid van België (voor 1830)

In Frankrijk voor de tweede helft 17de eeuw en begin 18de eeuw zijn er 2 bewegingen:
- Op lokaal niveau (grote steden etc.) wordt een aparte lokale stedelijke politie opgericht. In Parijs
komt een politiekorps, andere steden nemen het over. Voordien waren het ambtenaren met
veiligheidsaspecten maar er was geen structuur.
- Op centraal niveau (in 1720) kwam er een parallele hervorming: ook een korps -> nationale
marechaussee.
-> MAAR deze twee korpsen creëeren spanning want als er dan een politieprobleem/veiligheidsprobleem
dan is dat ergens op de kaart bv in de stad Parijs of Lyon, wie gaat dan optreden? Beide of maar één?

In 1789 bij FR revolutie -> VERANDERING door de revolutionairen
- Er werd dan de nationale marechaussee hervormd naar de gendarmerie nationale
Bevestigde keuzes:
- 1. Het moet een nationaal korps zijn
o voor de nationale belangen: wij moeten operationaal daarop vertrouwen
o bevoegd zijn op heel het franse grondgebied
- 2. Een militair korps
o Een deel van het leger/landsverdeiding
- 3. Het korps moet bestuurlijke (orde handhaven) EN gerechtelijke opdrachten (misdrijven
onderzoeken) vervullen
o Deze opdrachten hangen samen en samen uitvoeren is beter

- Er kwam ook verandering op stedelijk niveau.
o In de grote steden en gemeenten zijn er wel redelijke korpsen die zijn uitgebouwd maar ze
komen onder leiding van comissarissen van de politie. Er moet een leiding per stad
komen die aangesproken kan worden.
o In kleine streken (gemeenten) komen er veldwachters




C.V.B. 3

,In 1795 werd wat we nu België noemen (territoriale zones: Brussel, Gent, Leuven), een onderdeel van
Frankrijk - > het franse model werd zo in ons land ingevoerd !!!

In 1796: ministerie van politie opgericht onder leiding van politiediensten omdat ze dachten dat het
ministerie van Binnenlandse Zaken onvoldoende krachtig was om politie aan te sturen. Een apart ministerie
zorgt voor specialisatie en ziet toe op de uitvoering van de politiewetten, wat toezicht houdt op het
gevangeniswezen, vreemdelingen…

In 1799: is er de aanstelling van minister van politie: Joseph Fouché. Ook de staatsgreep van N.B gebeurt
N.B bouwt gendarmerie nationale uit tot steunpilaar van zijn regime (dictatuur) en ook zijn ministerie
Fouché wil het nog centraler maken, wat gaat hij doen? Hij gaat ervoor zorgen dat die comissarissen en
veldwachters minder te zeggen hebben
- Bovenop de comissarissen in de steden zet hij algemene commissarissen, die Fouché zelf aanstelt
en aan hem verantwoording moet afleggen. Zij kunnen dan rechtstreeks bevelen geven aan die
steden (niet voor de veldwachters)

1804-1810: Fouché dan buitengesmeten door N.B
Met het ministerie van Binnenlandse Zaken zijn er spanningen, dus hij wordt zelf minister van Binnenlandse
Zaken. Napoleon zag dit niet goedkomen en ontslaat Fouché. De opvolger voerde wel hetzelfde beleid


EXAMEN
- De verhouding tussen nationaal niveau en het lokale niveau: heeft nationaal niveau
iets te zeggen over lokaal niveau?
- De verhouding bestuurlijk/gerechtelijk
- De verhouding Binnenlandse Zaken/justitie




I.2. Het Verenigd Koninkrijk der Nederlanden
In 1815 wordt N.B verslagen door de Britten in Waterloo
Er wordt een nieuwe staat opgericht: VKDN maar dit bestond maar 15j. Het was een bufferstaat in West-
Eurpa tussen Frankrijk en Duitsland
!!! België was hier onderdeel van olv koning Willem I
- Op nationaal niveau wordt gendarmerie vervangen terug naar marechaussee
o De marechaussee wordt terug heropgebouwd !!
o Binnen justitie creëert men wel een functie: commissaris generaal, die de zeggenschap
krijgt over marechausee bij uitvoering van bestuurlijke en gerechtelijke opdrachten. De
eerste is De Thienne.
§ In praktijk was dit een “minster van politie” want ongeveer zelfde taken en macht
over marechausee en over lokale politie
§ Een nieuwe staat moet zich beschermen tegen revoluties en dreigingen van
buiten en dus moet het centraal korps overal aanwezig zijn -> moeien in lokale
korpsen

- Voor de rest wordt er niets veranderd aan de FR revolutie veranderingen. Het lokaal niveau blijft
behouden van grote steden: korpsen en bij landelijke gebieden de veldwachters

- De ministerie van politie moest wel verdwijnen, terug binnenlandse zaken en justitie.




C.V.B. 4

, HOOFDSTUK II. DE ONTWIKKELINGEN VANAF DE BELGISCHE ONAFHANKELIJKHEID TOT
AAN DE TWEEDE WERELDOORLOG
Niet in reader
Het Franse systeem wordt geërfd. Wat doet men?
Nationaal: nood aan nationaal korps van politie dus de geërfde marechaussee wordt behouden, maar de naam wordt
gewijzigd naar gendarmerie/rijkswacht. Een grondwet moet worden gemaakt (staatsstructuur en fundamentele rechten)
en daarin moet een centraal politiekorps staan.
In de grondwet werd opgenomen dat de organisatie en de bevoegdheden van de rijkswacht bij wet worden geregeld. Deze
wet is zeer laat gekomen, in 1957.
Voor deze implementering in de wet heeft de rijkswacht gefunctioneerd zonder wettelijke bepaling als:
• Nationaal korps (nationaal aangestuurd)
• Deel van het leger (militair, tegen dreigingen van buitenaf)
• Dubbele politionele opdracht (bestuurlijk en gerechtelijk)


II.1. De uitbouw van de rijkswacht
Als België onafhankelijk werd in 1830, kwam de rijkswacht die de marechausseee als naam verving
(nationaal niveau). Ze gaan de bevoegdheden hiervan bij wet gaan regelen voor wat er in de geschiedenis
allemaal is gebeurd. Er kwam een GW dus er moest wel dit in.
De kenmerken van het Franse revolutionairen bleef wel behouden over marechaussee
- Het nationaal korps onder nationale besturing: binnenlandse zaken en justitie
- De aanwezigheid van het nationaal korps op het hele grondgebied
- Is een militair korps: deel van het leger
- De bestuurlijke opdrachten en gerechtelijke in één korps

Uitbouw/investering RW -> meer kazernes, voertuigen personeel, opleidingen, investeringen in
rijksmacht,..
Vanaf 1980 drietand:
1. Centraal niveau
2. Territoriale eenheden
3. Reserve mobiel legioen (leger)
o Als het nodig is, uitdrukking rijksmacht

In het parlement kwam in 1871 een voorstel om stedelijke politie en veldwachters te integreren in de
rijkswacht zodat we een eenheidspolitie zouden krijgen. Er was namelijk debat -> ontevredenheid over de
gemeentepolitie


II.2. Het (dis)functioneren van de gemeentepolitie en de landelijke politie
In de landelijke gebieden waren we niet veel met de veldwachters. De stedelijke politie was beter maar ook
niet ongelofelijk goed, er moest inspanning gebeuren. De nationale waren tegen de grenzen aan het lopen
van hun eigen bevoegdheden die ze hebben gekregen in de GW.
Er was de gemeentelijke autonomie voor gemeentelijke belangen enz,... zo zou de nationale overheid zich
niet moeien met deze belangen.
Zo zag het nationale niveau nl. binnenlandse minister, justitie,... dat het niet goed ging maar wat kunnen ze
doen? Een beleidsplan? Nee dat gaat niet! Fouché kon dat maar hier niet want onze GW wijst de
bevoegdheden toe aan de gemeenten en dus kan van bovenaf de nationale niets gebeuren

De gemeenten willen niet dingen van de nationale OH want er is toch rijkswacht die extra belastingen int
enz en als gemeente dat doet dan wordt burgemeester niet meer gekozen. Zo wordt rijkswacht ook




C.V.B. 5
$15.54
Get access to the full document:

100% satisfaction guarantee
Immediately available after payment
Both online and in PDF
No strings attached

Get to know the seller
Seller avatar
LAWcvb

Get to know the seller

Seller avatar
LAWcvb Katholieke Universiteit Leuven
Follow You need to be logged in order to follow users or courses
Sold
9
Member since
3 year
Number of followers
0
Documents
5
Last sold
16 hours ago

0.0

0 reviews

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Recently viewed by you

Why students choose Stuvia

Created by fellow students, verified by reviews

Quality you can trust: written by students who passed their tests and reviewed by others who've used these notes.

Didn't get what you expected? Choose another document

No worries! You can instantly pick a different document that better fits what you're looking for.

Pay as you like, start learning right away

No subscription, no commitments. Pay the way you're used to via credit card and download your PDF document instantly.

Student with book image

“Bought, downloaded, and aced it. It really can be that simple.”

Alisha Student

Frequently asked questions