8.1 OORSPRONG VAN HET LEVEN
EERSTE DENKBEELDEN
Tot de 19e eeuw bleef het Bijbelse scheppingsverhaal de verklaring voor het ontstaan van
de aarde. Voor evolutie en het ontstaan van nieuwe soorten was binnen deze theorie
geen plaats. De Fransman Cuvier (1768-1832) bestudeerde fossielen (= restanten van
vroeger levende organismen). Hij ontdekte dat deze fossielen niet leken op de dieren die
nu het gebied waar de fossielen waren gevonden leefden. Daarom bedacht hij de
catastrofetheorie, na elke natuurramp zouden bestaande soorten verdwijnen en nieuwe
geschept worden.
ANDERE DENKBEELDEN
De Fransman Lamarck (1801) kwam als eerste met de evolutietheorie. Lamarck
constateerde dat fossielen uit verschillende afzettingslagen overeenkomsten in de
lichaamsbouw vertonen. Lamarck stelde dat de organismen tijdens hun leven zich
aanpasten, een zoon van een smid is sterker dan die van een kleermaker.
EVOLUTIE DOOR SELECTIE
De Engelsman Charles Darwin kwam met een andere theorie, hij bestuurde op zijn reis
om de wereld verschillende dieren en planten. Darwin ontdekte dat de leefomgeving een
selectiedruk uitoefent op de overlevingskansen van alle individuen. De sterkste
individuen overleven het langst en krijgen de meeste nakomelingen en geven dus de
sterke eigenschappen door.
TEGEN DE STROOM IN
Darwin wachtte na zijn wereldreis 20 jaar met het publiceren van zijn theorie, hij vreesde
voor kritiek. Darwin kon geen verklaring geven voor het ontstaan van een nieuwe soort,
de erfelijkheidswetten van Mendel (1822-1884) geven inzicht in het overerven van
eigenschappen. Recombinatie van allelen en mutaties leiden tot variaties in erfelijke
eigenschappen. Deze ontdekken zijn samen verwerkt tot de neodarwinistische
theorie.
8.2 ONTSTAAN VAN NIEUWE SOORTEN
AANPASSEN OM TE OVERLEVEN
Natuurlijke selectie bestaat uit twee processen die Darwin heeft samengevat met de
begrippen ‘struggle for life’ en ‘survival of the fittest’. In elke omgeving strijden
organismen om te overleven, struggle for life. De omgeving oefent selectiedruk uit op
de individuen, individuen met gunstige eigenschappen bij selectiedruk hebben betere
kansen om te overleven, survival of the fittest.
DE POPULATIESAMENSTELLING VERANDERD
Wanneer individuen met gunstige eigenschappen veel nakomelingen krijgen, neemt in de
nieuwe generatie het aantal individuen met de gunstige eigenschap toe. Na een aantal
generaties en bij een constante selectiedruk bestaat vrijwel de gehele populatie uit
individuen met die gunstige eigenschap. Als de selectiedruk veranderd zijn andere
eigenschappen in het voordeel.
GESPLISTE EIGENSCHAPPEN