Chemie Overal VWO 4/5/6
,Contents
H1 ............................................................................................................................................................ 3
H2 ............................................................................................................................................................ 4
H3 ............................................................................................................................................................ 5
H4 en H5 .................................................................................................................................................. 7
H7 ............................................................................................................................................................ 9
H8 .......................................................................................................................................................... 11
H9 .......................................................................................................................................................... 12
H17 ........................................................................................................................................................ 14
H11 ........................................................................................................................................................ 17
H18 ........................................................................................................................................................ 20
H15 Groene Chemie & duurzaamheid (18.3/4)..................................................................................... 23
H6 .......................................................................................................................................................... 26
H12 ........................................................................................................................................................ 29
H13 ........................................................................................................................................................ 32
H14 ........................................................................................................................................................ 35
H16 ........................................................................................................................................................ 38
H10 ........................................................................................................................................................ 38
,H1
- Bij endotherme reactie bezitten de reactieproducten meer energie dan die van exotherme
reactie. Dit komt omdat er warmte wordt toegevoerd.
- Reactietijd= de tijd waarin reactieproducten ontstaan
- Gemiddelde massa van een molecuul wordt bepaald uit de isotopensamenstelling.
- Soorten mengsel:
o Oplossing
o Suspensie= vloeistof + vast
o Emulsie= twee vloeistoffen (emulgator= Een emulgator is een stof die helpt bij het
mengen van twee stoffen die normaal gesproken niet of moeilijk mengbaar zijn.)
o Legering = verschillende metalen
Eigenschap Ontleedbare stof Niet-ontleedbare stof
Bestaat uit Meerdere atoomsoorten Eén atoomsoort
Voorbeeld H₂O, CO₂, NaCl O₂, N₂, Fe, Au
Microniveau Moleculen/ionen met meerdere Atomen of moleculen met één soort
atomen atoom
- Grootste verschil tussen zout en een moleculaire stof
Eigenschap Ontleedbare stof Niet-ontleedbare stof
Bestaat uit Meerdere atoomsoorten Eén atoomsoort
Voorbeeld H₂O, CO₂, NaCl O₂, N₂, Fe, Au
Microniveau Moleculen/ionen met meerdere Atomen of moleculen met één soort
atomen atoom
,H2
,H3
- In het algemeen geldt: stoffen in de vaste fase hebben een groter dichtheid dan die in de
vloeibare/gas fase. Want,
Algemene regel: Als de deeltjes dichter op elkaar zitten, past er meer massa in een kleiner
volume, dus is de dichtheid hoger.
Maar ijs heeft een kleinere dichtheid dan water, die op 3 verschillende niveaus kan verklaard
worden: vraag 31b
1. Macro= Je zit dat ijs zweeft op water
2. Meso= water heeft zeshoekige structuur waarin holtes of ruimtes tussen watermoleculen zich
bevinden.
3. Micro = waterbruggen zorgen voor kleinere dichtheid van ijs.
- Leg uit waarom ijs kleinere dichtheid heeft dan water?
In ijs vormen de watermoleculen een kristalstructuur waarin veel open ruimte zit. Dit komt doordat
de watermoleculen in ijs via waterstofbruggen op een vaste manier (zeshoekige structuur) aan elkaar
verbonden zijn, met een relatief grote onderlinge afstand.
Gevolg: Er zitten minder watermoleculen per volume-eenheid in ijs dan in water.
Dus: De dichtheid van ijs is lager, en daarom drijft ijs op water
IJs heeft kleiner dichtheid want de watermoleculen in ijs hebben onderling een grote afstand.
Hierdoor is er per m2 minder watermoleculen. Dit verlaagt de dichtheid.
- Bij berekening van volume begin je met het bepalen van de soort stof. Voor vloeistoffen en
gassen gebruik je de formule p=m/v. Voor gassen gebruik je het gegeven hoeveel een mol gas
inneemt bij een bepaalde temp. Bij 25 graden is dit 24,5L/mol. Bij 0 graden is dit 22,4 L/mol
- Zowel bij verbranden als bij ontleden worden er atoombindingen verbroken. Verbranden
vindt bij een lagere temp. plaats dan ontleden. Dit komt omdat bij verbranden worden
atoombindingen verbroken en weer gevormd. Tijdens deze vorming komt er weer energie vrij
van nieuwe atoombindingen. Bij ontleden worden ze niet opnieuw gevormd waardoor er veel
meer energie nodig is en de temp. van ontleden hoger ligt.
- Ontleden = van een zuivere beginstof twee zuivere reactieproducten maken.
Elektrolyse mbv elektriciteit
Fotolyse
Hydrolyse mbv water
, Voor oplosbaarheid kijk je naar: Voor smeltpunt/kookpunt kijk je naar
- H - bruggen - Vanderwaalsbindingen
- Dipool-dipool - Dipool-dipool bindingen
- Ion-dipool - H-bruggen
- Wanneer twee stoffen goed mengen, vormen de moleculen die oplost nieuwe bindingen met
moleculen van het oplosmiddel.
VB: jood + wasbenzine
Vanderwaalsbindingen tussen jood moleculen worden verbroken.
Nieuwe vanderwaalsbindingen worden gevormd tussen jood moleculen en de moleculen van
wasbenzine.
- Wanneer twee stoffen niet goed mengen, vormen de moleculen van de opgeloste stof geen
(of nauwelijks) bindingen met het oplosmiddel.
VB: jood + water
Uitleg: Vanderwaalsbindingen tussen jood moleculen worden verbroken, maar jood vormt
geen waterstofbruggen of sterke dipoolinteracties met watermoleculen. Water is polair, jood
is apolair → geen goede binding → jood lost slecht op in water.
- Goed oplosbaarheid of menging -> het ontstaan van vanderwaalsbindingen tussen twee
stoffen(tussen jood en wasbenzine moleculen)
Slecht oplosbaarheid of menging -> geen ontstaan van vanderwaalsbindingen tussen twee
stoffen
- Alleen bij chemische reacties worden atoombindingen verbroken, dus niet bij
faseovergangen.
- Kooppunt en smeltpunt neemt als volgt toe:
Moleculaire stof-> zout->metaal
Want de bindingen worden sterker.
,H4 en H5
- Gehydrateerd ion ontstaat door hydratatie: het omringen van een
ionen door watermoleculen oftewel het oplossen van een zout in
water. Er ontstaan gehydrateerde ion, met een aq symbool.
- Metaaloxiden lossen niet op in water, maar reageren ermee.
Bijv: calciumoxide reageert met water, waarbij calciumhydroxide-oplossing ontstaat.
Er ontstaat hierbij:
Na20-> natronloog
K2O->kaliloog
CaO->kalkwater
BaO-> barietwater
- Oplossen is omgekeerde van indampen. Bij indampen wordt de oplossing verwarmd en
verdampt het water, dan blijft vaste zout over. (Ionen vormen hierbij vaste zout omdat er nu
water weg is)
- Zouthydraat betekent een zout die water opneemt in haar rooster. Zouthydraat ontstaat
doordat vast zout watermoleculen bevat in het kristalrooster. Het heeft een vaste vorm. Het
lost dus niet op. CaSO4.2H2O= calciumsulfaatdihydraat
- Het opnemen van water in het zoutrooster is exotherm.
- Smeltpunt van een zouthydraat ligt lager dan dat van een gewone vaste zout.
Waarom?
Het kristalwater verstoort het ionrooster een beetje, waardoor de bindingen tussen de ionen
zwakker zijn dan bij een ‘droog’ zout en dus het smeltpunt lager ligt dan dat van een gewone
zout.
Toepassing: Omdat zouthydraten een lager smeltpunt hebben én veel energie kunnen
opnemen bij smelten, zijn ze geschikt als PCM. PCM gebruik je bij chemische kleding.
- Als er steeds water aan het zout toegevoegd wordt: oplossen oftewel hydrateren
Zout -> zouthydraat -> gehydrateerde ion
Water opnemen en daarna oplossen in water
- Als er steeds water uit de oplossing gehaald wordt: indampen(verhitten) oftewel
dehydrateren
Gehydrateerde ion -> zouthydraat -> zout
,- Maximale hoeveelheid stof is opgelost: oplossing is verzadigd.
- Er ontstaat neerslag (vaste stof) als twee slecht oplosbare ionen samengevoegd worden.
Hierbij stel je een neerslagreactie op van twee slecht oplosbare ionen. Deze reactie is een
evenwichtsreactie.
- Door neerslagreacties kun je volgende drie dingen maken:
1. Het verwijderen van ionen uit een oplossing
2. Het maken van zouten
3. Het aantonen van ionen in een opl.
- Twee manieren om natronloog te maken:
1) Na2O + H2O-> 2Na +2OH
2) NaOH -> Na + OH
,H7
- In een chemisch evenwicht geldt:
• Beide reacties verlopen met dezelfde snelheid.
• Insteltijd is de tijd vanaf het begin van de reactie tot de evenwichtsstand.
• Elke evenwichtsreactie heeft een concentratiebreuk (Q)
Een momentopname van de verhouding tussen producten en reactanten, op een
willekeurig moment (dus niet per se in evenwicht).
• Als er evenwicht is, dan geldt: Q=K.
K (evenwichtsconstante) heeft een constante waarde die alleen van temp. afhangt.
In de concentratiebreuk komen alleen gassen en opgeloste stoffen voor, dus geen vaste
stoffen en vloeistoffen
VB: CaCO3(s)⇌Ca2+(aq)+CO32−(aq) Evenwichtsvoorwaarde: Ks=[ Ca2+]3[PO43-]2
• Heterogeen evenwicht is een evenwicht waarbij de stoffen zijn in verschillende fasen, de
vaste fase en de opgeloste fase
Ks=oplosbaarheidsproduct
VB: Ks=[ Ca2+]3[PO43-]2 van Ca3(PO4)2 ⇄ 3 Ca2+ + 2 PO43
• Verdelingsevenwicht is een evenwicht waarbij een stof zich verdeelt over twee
oplosmiddelen die met elkaar niet goed kunnen mengen. Bijvoorbeeld jood verdeelt zich
over water en wasbenzine.
Kv= de verdelingsconstante/evenwicht
VB: Kv = [I2 (wasbenzine)]/[I2(aq)] VAN I2 (aq) ⇄ I2(wasbenzine)
• K= reactie/begin
Bij evenwicht maak je ook een BOE-tabel. Hierbij hou je rekening mee met de
coëfficiënten.
- Factoren die invloed hebben op evenwicht:
S1=exotherm
𝐵2
A ↔ 2B Q= 𝐴
Q is concentratiebreuk en Q is gelijk aan evenwichtsconstante K bij evenwicht
S2=endotherm
1. Concentratieverandering
Concentratie a groter, s1 groter, evenwicht verstuift naar rechts
2. Volumeverandering
, Volume a 2keer groter, concentratie a 2 keer lager en concentratie B 4 keer lager, s1
groter, evenwicht verstuift naar rechts
3. Katalysator
Geen invloed op de ligging van evenwicht, alleen verkort insteltijd
4. Temp.
Hoge temp. -> s1 en s2 neemt toe, maar s2 sterker-> evenwicht verschuift naar endo kant
→ dus naar links
5. Drukverhoging
Als je de druk verhoogt, dan wil het systeem de druk weer verlagen.
Dat doet het door het evenwicht te verschuiven naar de kant met minder gasmoleculen.
- Een van de producten afwezig in de reactie, dan loopt het evenwicht af.
- Omkeerbare reactie= Omkeerbare reacties zijn chemische processen die zowel in
voorwaartse als in achterwaartse richting verlopen.
- Evenwichtsreactie = Wanneer de snelheid van de voorwaartse en achterwaartse reacties
gelijk is, is het proces in evenwicht. Bij evenwicht stoppen de reacties niet. In plaats daarvan
wordt de hoeveelheid van elke stof constant.