PSYCHISCHE STOORNISSEN
1. Classificeren? Vanaf p. 78 in handboek.
= het indelen van verschijnselen, objecten of processen in groepen op
grond van overeenkomsten of verwantschap in eigenschappen of
kenmerken.
• Menselijk, gebeurt ook intuïtief.
• Voor- en nadelen.
2. Diagnostiek.
2 soorten: KOP-model:
• Beschrijvende classificatie ® clustering van doorgaans K: klachten.
O: omstandigheden.
objectiveerbare symptomen. P: persoonseigenschappen/
o Bv. Diagnostic and Statistical Manual of Mental Diseases kenmerken.
(DSM, APA)
o Bv. InternationaI Classication of Diseases (ICD, WHO)
• Verklarende/functionele diagnostiek ® hoe kunnen problemen
begrepen/verklaard worden?
3. Hoe komt DSM tot stand?
• DSM is gebaseerd op: GGZ: geestelijke gezondheidszorg.
o Wetenschappelijk onderzoek over psychische stoornissen.
o Klinische kennis over stoornissen door experten en deskundigen
in de Geestelijke Gezondheidszorg.
o Ervaringen en feedback van patiënten en familie.
• 10 jaar voorbereiding.
3.1. Wanneer wordt iets opgenomen in DSM?
• Aandoening/stoornis: LET OP: classificatie van stoornissen,
o Emotioneel lijden. niet van mensen!
® Je ‘bent’ geen stoornis.
o Belemmering in functioneren. Anti-psychiatrie beweging. Je bent
o Schadelijk gedrag (persoonlijk lijden, pijn). niet depressief maar je bent iemand
o Houdt aan en overschrijdt de normale reactie binnen een met depressie.
bepaalde culturele context.
3.2. Voordelen van DSM classificatie.
• Vlotte communicatie.
• Multidisciplinair gebruik.
• Zelfde termen in de onderzoeksliteratuur.
• Helpt zichzelf te begrijpen.
• Link met behandeling (beslissingen rond behandeling en
voorspellen van verloop van ziekte).
3.3. Nadelen van DSM classificatie.
• Stigmatisatie, isolatie.
• Behandeling afhankelijk van criteria.
• Enkel beschrijvend (niet verklarend).
• Medicalisering en overdiagnosticeren.
o Bv. milde neurocognitieve stoornis.
o Bv. discruptieve stemmingsdysregulatiestoornis.
3 CLASSIFICATIEMETHODEN: CLASSIFICATIE EN BEOORDELING VAN AFWIJKEND GEDRAG 1
1. Classificeren? Vanaf p. 78 in handboek.
= het indelen van verschijnselen, objecten of processen in groepen op
grond van overeenkomsten of verwantschap in eigenschappen of
kenmerken.
• Menselijk, gebeurt ook intuïtief.
• Voor- en nadelen.
2. Diagnostiek.
2 soorten: KOP-model:
• Beschrijvende classificatie ® clustering van doorgaans K: klachten.
O: omstandigheden.
objectiveerbare symptomen. P: persoonseigenschappen/
o Bv. Diagnostic and Statistical Manual of Mental Diseases kenmerken.
(DSM, APA)
o Bv. InternationaI Classication of Diseases (ICD, WHO)
• Verklarende/functionele diagnostiek ® hoe kunnen problemen
begrepen/verklaard worden?
3. Hoe komt DSM tot stand?
• DSM is gebaseerd op: GGZ: geestelijke gezondheidszorg.
o Wetenschappelijk onderzoek over psychische stoornissen.
o Klinische kennis over stoornissen door experten en deskundigen
in de Geestelijke Gezondheidszorg.
o Ervaringen en feedback van patiënten en familie.
• 10 jaar voorbereiding.
3.1. Wanneer wordt iets opgenomen in DSM?
• Aandoening/stoornis: LET OP: classificatie van stoornissen,
o Emotioneel lijden. niet van mensen!
® Je ‘bent’ geen stoornis.
o Belemmering in functioneren. Anti-psychiatrie beweging. Je bent
o Schadelijk gedrag (persoonlijk lijden, pijn). niet depressief maar je bent iemand
o Houdt aan en overschrijdt de normale reactie binnen een met depressie.
bepaalde culturele context.
3.2. Voordelen van DSM classificatie.
• Vlotte communicatie.
• Multidisciplinair gebruik.
• Zelfde termen in de onderzoeksliteratuur.
• Helpt zichzelf te begrijpen.
• Link met behandeling (beslissingen rond behandeling en
voorspellen van verloop van ziekte).
3.3. Nadelen van DSM classificatie.
• Stigmatisatie, isolatie.
• Behandeling afhankelijk van criteria.
• Enkel beschrijvend (niet verklarend).
• Medicalisering en overdiagnosticeren.
o Bv. milde neurocognitieve stoornis.
o Bv. discruptieve stemmingsdysregulatiestoornis.
3 CLASSIFICATIEMETHODEN: CLASSIFICATIE EN BEOORDELING VAN AFWIJKEND GEDRAG 1