Belangrijkste concepten
Chapter 1
Twee filosofische standpunten over wetenschap
1. Sciëntisme = de wetenschap is veruit superieur aan alle andere pogingen om kennis te
verkrijgen; haar wetten bieden zekerheid.
2. Scepticisme = de twijfel of zekere kennis wel mogelijk is, kunnen we ooit echt iets
zeker weten? Of is onze geest een crooked mirror van de werkelijkheid?
Wat is kennis en hoe kunnen we die verkrijgen?
Postmodernisme = postmodernisten stellen dat de hedendaagse wetenschap het product is van mislukte
ideologieën die diep geworteld zijn in de wetenschappelijke revolutie en de Verlichting.
● Er is niet één waarheid en niet één methode.
Anything goes → uitspraak van filosoof Paul Feyerabend.
Hij bedoelde daarmee dat er geen vaste methode is voor goede wetenschap. Soms is het juist goed om
de regels te breken. Wetenschap is creatief, chaotisch en verandert vaak door onconventionele ideeën.
● Kortom: Er is niet één juiste manier om wetenschap te bedrijven.
● Naïef onderzoek = natuurlijke alledaagse proces waarbij mensen verklaringen zoeken
zonder systematische methode of controle op fouten
● Wetenschappelijk onderzoek = gestructureerde, objectieve en systematische manier van
kennis vergaren waarbij theorieën worden getest op basis van waarneembaar bewijs
● De wetenschappelijke methode = Een manier van denken die theorieën test met objectieve
observatie, controleert op alternatieve verklaringen en is openbaar voor toetsing door
anderen
● Methode van vasthoudendheid = Men blijft iets geloven omdat men er hardnekkig aan
vasthoudt, ondanks bewijs van het tegendeel
● Methode van autoriteit = men accepteert iets als waarheid omdat een gezaghebbend
persoon of bron het zegt
● Methode van de redelijke mens (a priori methode) = men gelooft iets omdat het logisch of
redelijk lijkt binnen een bepaald denkkader, niet noodzakelijk omdat het empirisch
bewezen is
Chapter 2
Justified true belief = Plato: kennis is ware overtuiging die gerechtvaardigd is. Iemand heeft kennis
van iets als 1) het waar is, 2) men het gelooft en 3) men er een goede rechtvaardiging voor heeft
Empirisme = Zintuiglijke ervaring is de uiteindelijke bron van kennis. Zintuigen geven betrouwbare
aanwijzingen over hoe de wereld in elkaar zit (Aristoteles)
,Rationalisme = Ware kennis over de werkelijkheid komt voort uit het juiste gebruik van ons
denkvermogen (ratio). Ons vermogen om te denken genereert ideeën en concepten die we niet puur via
onze zintuigen kunnen verkrijgen (Plato)
Epistemologie = Tak van filosofie die zich bezighoudt met aard, oorsprong en reikwijdte van kennis
→ wat is kennis, hoe weten we wat we weten, wat onderscheidt kennis van mening of geloof?
Ontologie = onderdeel van metafysica en houdt zich bezig met fundamentele vragen over het zijn, wat
bestaat er en wat is de aard van het bestaan? → Wat is werkelijkheid, wat voor dingen bestaan er?
Bestaan abstracte entiteiten zoals getallen of moraal?
| Term | Vraagt naar... | Voorbeeldvraag |
| Epistemologie | Wat weten we en hoe? | Hoe weten we dat iets waar is? |
| Ontologie | Wat bestaat er, en in welke vorm? | Bestaan ideeën onafhankelijk van mensen? |
Metafysica = deel van ontologie. Houdt zich bezig met meest fundamentele vragen over aard van de
werkelijkheid → wat is het zijn? Wat is tijd en ruimte? Wat is oorzaak gevolg? - dat wat voorbij de
natuurkunde gaat, structuren van de werkelijkheid
Nativisme = Opvatting dat mensen bij geboorte al bepaalde vormen van kennis of ideeën in zich
hebben. Ware kennis komt voort uit aangeboren ideeën, die je kunt herinneren via redenering
Volgens Plato "weten" we al wat een perfecte driehoek is, nog voordat we ooit een tekening zien —
want die kennis zit al in onze ziel (verworven in de "wereld van de Vormen").
Grotallegorie = illustreert Plato’s kernidee: dat ware kennis alleen te verkrijgen is door rede en inzicht
in de wereld van de Vormen, niet door louter ervaring van de fysieke wereld.
● In de allegorie zitten gevangenen vast in een grot en zien alleen schaduwen op een muur, die
ze voor de werkelijkheid houden. Als één van hen vrijkomt en het daglicht ziet, beseft hij
langzaam dat de schaduwen illusies waren. De zon buiten de grot staat symbool voor de
ultieme waarheid en kennis.
Peripatetisch Axioma = afkomstig van Aristoteles: “Nihil est in intellectu quod non prius fuerit in
sensu” → niets is in het verstand wat niet eerst via de zintuigen is waargenomen → alle kennis begint
bij zintuiglijke ervaringen, er zijn geen aangeboren ideeën
Syllogisme = logische redenering die bestaat uit drie delen: twee premissen en een conclusie -
Aristoteles voorbeeld:
1. Alle mensen zijn sterfelijk
2. Socrates is een mens
3. Socrates is sterfelijk
→ Basis van deductieve logica
Inductie = het proces waarbij we van concrete, particuliere waarnemingen naar algemene uitspraken of
principes gaan
Bijv: als je vaak hebt gezien dat mensen sterven, concludeer je dat alle mensen sterfelijk zijn
→ Zulke inductieve generalisaties geven geen absolute zekerheid, Aristoteles stelde dat we
uiteindelijk via nous tot universele en zekere principes komen
, Deductie = Een redenering waarbij je van algemene waarheden naar een specifieke conclusie gaat
1. Alle mensen zijn sterfelijk
2. Socrates is een mens
3. Socrates is sterfelijk
→ Levert zekere kennis op, maar alleen als algemene premissen waar zijn. Je moet eerst via inductie
tot betrouwbare premissen komen, voordat deductie wetenschappelijke kennis kan opleveren
Nous = vermogen van je verstand om te begrijpen of aanvoelen dat iets altijd zo is (innerlijk inzicht)
Nous is nodig om tot zekere kennis van de oorzaken en essenties van dingen te komen → soort
intuïtief inzicht dat basis vormt voor echte wetenschap bij Aristoteles
Vier oorzaken doctrine = Aristoteles zijn manier om dingen volledig te begrijpen, je weet pas echt iets
als je de volgende vier oorzaken kent
1. Materiële oorzaak = waaruit iets is gemaakt
2. Formele oorzaak = De vorm of structuur die iets maakt tot wat het is
3. Bewegende (of efficiënte) oorzaak = wie of wat het heeft veroorzaakt
4. Doeloorzaak (finale oorzaak) = doel of reden waarom iets bestaat
Voorbeeld;
1. Een beeld is gemaakt van marmer
2. De vorm van het beeld (bijv. de god Apollo)
3. De beeldhouwer die het beeld maakt
4. Het beeld is gemaakt ter verering of als kunst
Inductieprobleem = Hoe weten we zeker dat een algemene regel klopt, als we die alleen baseren op
losse voorbeelden?
→ probleem = je kunt nooit 100% zeker zijn van een algemene uitspraak op basis van alleen
waarnemingen (misschien is er ergens iemand die niet sterfelijk is, je kunt dat nooit uitsluiten)
Aristoteles herkende inductieprobleem → inductie alleen eerste stap, nous hebben we nodig om de
universele waarheid echt te begrijpen
Chapter 2
Het scheermes van Ockham = Je moet onnodige aannames afscheren = “Kies altijd de simpelste
verklaring die voldoende is om het verschijnsel te verklaren” - verzin geen extra oorzaken of
onzichtbare krachten als je iets ook eenvoudiger kunt verklaren
→ Als twee theorieën iets even goed verklaren, kies dan de eenvoudigste
Middeleeuws wereldbeeld = Gebaseerd op Aristoteles, door Thomas van Aquino
1. Geocentrisch model = de aarde staat stil in het midden van het heelal, alles draait om de aarde
heen in perfecte cirkel
2. Twee werelddelen =
→ boven de maan (superlunair) = perfect, eeuwig, veranderloos (sterren en planeten)
→ Onder de maan (sublunair) = veranderlijk, vergankelijk met vier elementen (aarde, water,
lucht, vuur)
Chapter 1
Twee filosofische standpunten over wetenschap
1. Sciëntisme = de wetenschap is veruit superieur aan alle andere pogingen om kennis te
verkrijgen; haar wetten bieden zekerheid.
2. Scepticisme = de twijfel of zekere kennis wel mogelijk is, kunnen we ooit echt iets
zeker weten? Of is onze geest een crooked mirror van de werkelijkheid?
Wat is kennis en hoe kunnen we die verkrijgen?
Postmodernisme = postmodernisten stellen dat de hedendaagse wetenschap het product is van mislukte
ideologieën die diep geworteld zijn in de wetenschappelijke revolutie en de Verlichting.
● Er is niet één waarheid en niet één methode.
Anything goes → uitspraak van filosoof Paul Feyerabend.
Hij bedoelde daarmee dat er geen vaste methode is voor goede wetenschap. Soms is het juist goed om
de regels te breken. Wetenschap is creatief, chaotisch en verandert vaak door onconventionele ideeën.
● Kortom: Er is niet één juiste manier om wetenschap te bedrijven.
● Naïef onderzoek = natuurlijke alledaagse proces waarbij mensen verklaringen zoeken
zonder systematische methode of controle op fouten
● Wetenschappelijk onderzoek = gestructureerde, objectieve en systematische manier van
kennis vergaren waarbij theorieën worden getest op basis van waarneembaar bewijs
● De wetenschappelijke methode = Een manier van denken die theorieën test met objectieve
observatie, controleert op alternatieve verklaringen en is openbaar voor toetsing door
anderen
● Methode van vasthoudendheid = Men blijft iets geloven omdat men er hardnekkig aan
vasthoudt, ondanks bewijs van het tegendeel
● Methode van autoriteit = men accepteert iets als waarheid omdat een gezaghebbend
persoon of bron het zegt
● Methode van de redelijke mens (a priori methode) = men gelooft iets omdat het logisch of
redelijk lijkt binnen een bepaald denkkader, niet noodzakelijk omdat het empirisch
bewezen is
Chapter 2
Justified true belief = Plato: kennis is ware overtuiging die gerechtvaardigd is. Iemand heeft kennis
van iets als 1) het waar is, 2) men het gelooft en 3) men er een goede rechtvaardiging voor heeft
Empirisme = Zintuiglijke ervaring is de uiteindelijke bron van kennis. Zintuigen geven betrouwbare
aanwijzingen over hoe de wereld in elkaar zit (Aristoteles)
,Rationalisme = Ware kennis over de werkelijkheid komt voort uit het juiste gebruik van ons
denkvermogen (ratio). Ons vermogen om te denken genereert ideeën en concepten die we niet puur via
onze zintuigen kunnen verkrijgen (Plato)
Epistemologie = Tak van filosofie die zich bezighoudt met aard, oorsprong en reikwijdte van kennis
→ wat is kennis, hoe weten we wat we weten, wat onderscheidt kennis van mening of geloof?
Ontologie = onderdeel van metafysica en houdt zich bezig met fundamentele vragen over het zijn, wat
bestaat er en wat is de aard van het bestaan? → Wat is werkelijkheid, wat voor dingen bestaan er?
Bestaan abstracte entiteiten zoals getallen of moraal?
| Term | Vraagt naar... | Voorbeeldvraag |
| Epistemologie | Wat weten we en hoe? | Hoe weten we dat iets waar is? |
| Ontologie | Wat bestaat er, en in welke vorm? | Bestaan ideeën onafhankelijk van mensen? |
Metafysica = deel van ontologie. Houdt zich bezig met meest fundamentele vragen over aard van de
werkelijkheid → wat is het zijn? Wat is tijd en ruimte? Wat is oorzaak gevolg? - dat wat voorbij de
natuurkunde gaat, structuren van de werkelijkheid
Nativisme = Opvatting dat mensen bij geboorte al bepaalde vormen van kennis of ideeën in zich
hebben. Ware kennis komt voort uit aangeboren ideeën, die je kunt herinneren via redenering
Volgens Plato "weten" we al wat een perfecte driehoek is, nog voordat we ooit een tekening zien —
want die kennis zit al in onze ziel (verworven in de "wereld van de Vormen").
Grotallegorie = illustreert Plato’s kernidee: dat ware kennis alleen te verkrijgen is door rede en inzicht
in de wereld van de Vormen, niet door louter ervaring van de fysieke wereld.
● In de allegorie zitten gevangenen vast in een grot en zien alleen schaduwen op een muur, die
ze voor de werkelijkheid houden. Als één van hen vrijkomt en het daglicht ziet, beseft hij
langzaam dat de schaduwen illusies waren. De zon buiten de grot staat symbool voor de
ultieme waarheid en kennis.
Peripatetisch Axioma = afkomstig van Aristoteles: “Nihil est in intellectu quod non prius fuerit in
sensu” → niets is in het verstand wat niet eerst via de zintuigen is waargenomen → alle kennis begint
bij zintuiglijke ervaringen, er zijn geen aangeboren ideeën
Syllogisme = logische redenering die bestaat uit drie delen: twee premissen en een conclusie -
Aristoteles voorbeeld:
1. Alle mensen zijn sterfelijk
2. Socrates is een mens
3. Socrates is sterfelijk
→ Basis van deductieve logica
Inductie = het proces waarbij we van concrete, particuliere waarnemingen naar algemene uitspraken of
principes gaan
Bijv: als je vaak hebt gezien dat mensen sterven, concludeer je dat alle mensen sterfelijk zijn
→ Zulke inductieve generalisaties geven geen absolute zekerheid, Aristoteles stelde dat we
uiteindelijk via nous tot universele en zekere principes komen
, Deductie = Een redenering waarbij je van algemene waarheden naar een specifieke conclusie gaat
1. Alle mensen zijn sterfelijk
2. Socrates is een mens
3. Socrates is sterfelijk
→ Levert zekere kennis op, maar alleen als algemene premissen waar zijn. Je moet eerst via inductie
tot betrouwbare premissen komen, voordat deductie wetenschappelijke kennis kan opleveren
Nous = vermogen van je verstand om te begrijpen of aanvoelen dat iets altijd zo is (innerlijk inzicht)
Nous is nodig om tot zekere kennis van de oorzaken en essenties van dingen te komen → soort
intuïtief inzicht dat basis vormt voor echte wetenschap bij Aristoteles
Vier oorzaken doctrine = Aristoteles zijn manier om dingen volledig te begrijpen, je weet pas echt iets
als je de volgende vier oorzaken kent
1. Materiële oorzaak = waaruit iets is gemaakt
2. Formele oorzaak = De vorm of structuur die iets maakt tot wat het is
3. Bewegende (of efficiënte) oorzaak = wie of wat het heeft veroorzaakt
4. Doeloorzaak (finale oorzaak) = doel of reden waarom iets bestaat
Voorbeeld;
1. Een beeld is gemaakt van marmer
2. De vorm van het beeld (bijv. de god Apollo)
3. De beeldhouwer die het beeld maakt
4. Het beeld is gemaakt ter verering of als kunst
Inductieprobleem = Hoe weten we zeker dat een algemene regel klopt, als we die alleen baseren op
losse voorbeelden?
→ probleem = je kunt nooit 100% zeker zijn van een algemene uitspraak op basis van alleen
waarnemingen (misschien is er ergens iemand die niet sterfelijk is, je kunt dat nooit uitsluiten)
Aristoteles herkende inductieprobleem → inductie alleen eerste stap, nous hebben we nodig om de
universele waarheid echt te begrijpen
Chapter 2
Het scheermes van Ockham = Je moet onnodige aannames afscheren = “Kies altijd de simpelste
verklaring die voldoende is om het verschijnsel te verklaren” - verzin geen extra oorzaken of
onzichtbare krachten als je iets ook eenvoudiger kunt verklaren
→ Als twee theorieën iets even goed verklaren, kies dan de eenvoudigste
Middeleeuws wereldbeeld = Gebaseerd op Aristoteles, door Thomas van Aquino
1. Geocentrisch model = de aarde staat stil in het midden van het heelal, alles draait om de aarde
heen in perfecte cirkel
2. Twee werelddelen =
→ boven de maan (superlunair) = perfect, eeuwig, veranderloos (sterren en planeten)
→ Onder de maan (sublunair) = veranderlijk, vergankelijk met vier elementen (aarde, water,
lucht, vuur)