Keuzedeel Mensen met licht verstandelijke beperking met moeilijk
verstaanbaar gedrag
Inleiding
In dit examen schrijf je een examenverslag. Hierin verantwoord je welk gedrag/kennis en
vaardigheden je hebt toegepast tijdens de uitvoering van de voorbereidende opdracht.
Examenopdracht
Voorbereidende opdracht
Je begeleidt een (SG)LVB-cliënt vanuit een begeleidingsmethode bij moeilijk verstaanbaar gedrag of
tijdens een crisissituatie.
Je houdt hierbij rekening met de veiligheid in de situatie voor jezelf, cliënt en betrokkenen.
Je bespreekt het gedrag, de gevolgen en mogelijke oplossingen ter voorkoming van het gedrag met
de cliënt.
Vervolgens bied je kansen voor het vergroten van de weerbaarheid en sociale vaardigheden van de
cliënt.
Daarnaast stem je de doelen ter verbetering of het behouden van gedrag af met de cliënt.
Je bespreekt met de cliënt de acties waarmee hij aan de doelen kan werken en welke begeleiding
hierbij past.
Je begeleidt de cliënt bij het verbeteren of behouden van gedrag en blijft tijdens je begeleiding steeds
aansluiten bij de mogelijkheden van de cliënt.
Je stemt de begeleiding af met je collega’s, eventueel deskundigen en het sociale netwerk van de
cliënt.
Je evalueert tussentijds de opgestelde doelen met je collega’s, eventueel deskundigen en de cliënt.
Daarnaast onderzoek je de wensen en mogelijkheden van het sociale netwerk voor meer
betrokkenheid in de begeleiding.
Ten slotte ondersteun je het sociale netwerk in het omgaan met de cliënt.
verstaanbaar gedrag
Inleiding
In dit examen schrijf je een examenverslag. Hierin verantwoord je welk gedrag/kennis en
vaardigheden je hebt toegepast tijdens de uitvoering van de voorbereidende opdracht.
Examenopdracht
Voorbereidende opdracht
Je begeleidt een (SG)LVB-cliënt vanuit een begeleidingsmethode bij moeilijk verstaanbaar gedrag of
tijdens een crisissituatie.
Je houdt hierbij rekening met de veiligheid in de situatie voor jezelf, cliënt en betrokkenen.
Je bespreekt het gedrag, de gevolgen en mogelijke oplossingen ter voorkoming van het gedrag met
de cliënt.
Vervolgens bied je kansen voor het vergroten van de weerbaarheid en sociale vaardigheden van de
cliënt.
Daarnaast stem je de doelen ter verbetering of het behouden van gedrag af met de cliënt.
Je bespreekt met de cliënt de acties waarmee hij aan de doelen kan werken en welke begeleiding
hierbij past.
Je begeleidt de cliënt bij het verbeteren of behouden van gedrag en blijft tijdens je begeleiding steeds
aansluiten bij de mogelijkheden van de cliënt.
Je stemt de begeleiding af met je collega’s, eventueel deskundigen en het sociale netwerk van de
cliënt.
Je evalueert tussentijds de opgestelde doelen met je collega’s, eventueel deskundigen en de cliënt.
Daarnaast onderzoek je de wensen en mogelijkheden van het sociale netwerk voor meer
betrokkenheid in de begeleiding.
Ten slotte ondersteun je het sociale netwerk in het omgaan met de cliënt.