Mossen en wolfsklauwen
Bryofyten
Morfologische diversiteit is vooral op 2 manieren te herkennen:
1. Gametofyte diversiteit → hoe water word aangevoerd en vast gehouden
2. Sporofyte diversiteit → verspreidingsmethode van de sporen
Gametofyten:
Gametofyte vorm is dominant in de levenscyclus
Alleen follieus → vaak met spiraalsgewijze bladstand
Bladstructuren hebben een duidelijke nerf (costa) en vaak een gladde rand
Meercellige rhizoiden en zijn daardoor bruin
Hebben geen stomata of poriën
Klein van vorm
Poikilohydrie → kunnen hun eigen waterhuishouding niet reguleren
Ze hebben geen echt vaatweefsel → sommige soorten hebben vaat-achtige cellen maar nooit een netwerk door de hele
plant heen = specialistische transportcellen
Geen echte wortels → wel draadvormige rhizoiden voor verankering maar niet voor de uitwisseling van stoffen
Er zijn geen echte bladeren → wel bladachtige structuren (phylliden)
Bevruchting gaat via water → spermacellen zwemmen naar de eicellen
Er is maar 1 sporangium
Verspreiding van sporen door de wind of ze zijn aseksueel klonaal
Zeer gevoelig voor vervuiling
Haplodiplontische levenscyclus:
Levenscyclus van bryofyten:
Sporofyten:
Hebben geen bladgroen
Kenmerken en eigenschappen DT1 1
, Zijn afhankelijk van de gametofyt
Over het algemeen hebben ze sterke overblijvende seta
Sporangium:
Opent met een operculum
Heeft stomata
Vaak met peristoomtanden → de aanwezigheid en bouw hiervan is afhankelijk van de orde waartoe de soort behoord
Geen elateren
Hebben vaak een calyptra (deel van het archegonium)
Spagnales
Epifytische soorten zonder rhizoiden
Hebben geen seta
Zijtakken hebben hyalinecellen → kunnen 10-40x het eigen gewicht aan water opnemen en maken het mogelijk om ook in
drogere omgevingen te kunnen overleven
Functioneren als habitat engineer → kunnen in anaerobe condities leven, veroorzaken verzuring door de afgifte van
spaghnumzuren
Bryopsida
Hebben meercellige bruine rhizoïden
Bladnerven zijn aanwezig
Gametofyten hebben een peristoom, operculum en calyptra. Vaak bevind dit zich op een seta (steel)
Anthocerotophyta
Wereldwijde verspreiding
Komen vooral veel voor op vochtige gronden en rotsen in warme tropische gebieden
Gametofyten:
Altijd thalleus
Hebben witte eencellige rhizoïden
Archegonia zitten in de hals
Het is nog niet bekend of dat ze stomata hebben
Sporofyten:
Bladgroen met stomata
Kunnen onafhankelijk van de gametofyt bestaan
Gereduceerde seta
Sporangium lijkt vaak op bieslook, het splijt open in twee langen kleppen (hauwen)
Sporangium kan eindeloos doorgroeien door het basale meristeem
Bevat elateren
Marchantiophyta (levermossen)
Kosmopolitische verspreiding
Vooral gematigd en vochtige klimaten maar kunnen ook in woestijnen en op de polen voorkomen
Gametofyten:
Twee typen:
Thalleus → klassieke vorm van levermossen, plakaat achtige structuren die over de grond verspreiden
Follieus → vaak dorsiventraal, zonder generfde bladeren en zijn 2 of meer lobbig = lijkt op een normale plant met
stengelachtige en bladachtige structuren
Aseksuele voortplanting via broedkorrels (gemmen) ui gemma bekers
Eencellige rhizoiden, hierdoor zijn ze wit
Soms poriën op thalleuze gametofyten, nooit stomata
Sporofyten:
Zonder bladgroen, afhankelijk van de gametofyt
Kenmerken en eigenschappen DT1 2