6.1 Lading, stroom en spanning
Opgave 1
1 op
2 over
3 onder
4 door
Opgave 2
a Elektronen
b De staaf heeft een positieve lading gekregen. Dat betekent dat de staaf een tekort aan
elektronen heeft. Raak je met de staaf de kop van de elektroscoop aan, dan wordt het tekort
aan elektronen in de staaf aangevuld door de elektronen in de staaf en de blaadjes. De
blaadjes verliezen daardoor een aantal elektronen en krijgen een lading.
c De blaadjes verliezen elektronen en worden daardoor positief geladen.
Opgave 3
a De +pool van de spanningsbron is (eventueel via de lamp) verbonden met de +pool van een
apparaat. Zie figuur 6.1 voor twee mogelijke schakelingen.
Figuur 6.1
b Zie figuur 6.2.
De stroom loopt van de +pool van de batterij via het lampje naar de –pool van de batterij.
Figuur 6.2
© ThiemeMeulenhoff bv Pagina 1 van 29
, Havo 4 Hoofdstuk 6 Uitwerkingen
c Het aantal elektronen per seconde bereken je uit de lading per seconde en de lading van een
elektron.
De lading per seconde is gelijk aan de stroomsterkte.
De stroomsterkte is 0,5 A. Er beweegt dus per seconde 0,5 C aan lading door de draad.
De lading van 1 elektron is 1,602ꞏ10–19 C.
0,5
Er bewegen dus per seconde 3,12 1018 elektronen door de draad.
1,602 1019
Afgerond: 3,1∙1018
Opgave 4
Zie tabel 6.1
UAB (V) UAC (V) UAD (V) UAE (V) UAF (V)
figuur 6.14a 1,5 1,5 3,0 3,0 4,5
figuur 6.14b 1,5 1,5 0,0 0,0 1,5
figuur 6.14c 1,5 1,5 3,0 3,0 1,5
figuur 6.14d 1,5 1,5 0,0 0,0 1,5
Tabel 6.1
Opmerking
In figuur 6.3 staan de figuren 6.14a t/m d van het basisboek.
Figuur 6.3
Er gelden drie regels:
1 Verbind je de +kant van de ene batterij met de –kant van de andere batterij, dan tel je de
spanningen bij elkaar op. Zie bijvoorbeeld figuur 6.14a voor UAD.
2 Verbind je de +kant van de ene batterij met de +kant van de andere batterij, dan trek je
spanningen van elkaar af. Zie bijvoorbeeld figuur 6.14b voor UAD.
3 Verbind je zowel de +kanten als de –kanten van de batterijen met elkaar, dan blijven de
spanningen gelijk. Zie bijvoorbeeld figuur 6.14d voor UAD.
In figuren 6.14b en 6.14c pas zowel regel 1 als regel 2 toe.
Opgave 5
a 2,3 mV = 2,3∙10─3 V
b 5,8 MV = 5,8∙106 V
c 1,2 μA = 1,2∙10─6 A
5 4,5 A = 4,5∙10─3 mA
© ThiemeMeulenhoff bv Pagina 2 van 29