Inleiding grondslagen pedagogische wetenschappen
College 1: Introductie
Formele leerdoelen:
1. Op een wetenschappelijke manier nadenken over onderzoeksresultaten
2. De gedachtegang achter statistische onderbouwing van conclusies begrijpen
3. Onderzoeksverslagen en betogen beter opzetten en beoordelen
4. Professioneel kunnen deelnemen aan een pedagogische discussie
5. Engelstalige literatuur beter lezen en begrijpen
Waarom deze cursus?:
De kennis die je opdoet komt uit wetenschappelijke artikelen, deze kennis kan je later in je
werk toepassen. In deze artikelen wordt een verslag gegeven over de opzet, resultaten en
conclusie van het onderzoek. Om juiste informatie te vergaren is het belangrijk dat je de
waarde van het onderzoek kunt beoordelen, hier is een wetenschappelijk kritische houding
voor nodig. In dit vak wordt de grondslag gelegd door te leren over argumentatie en
redeneringen.
Meneer Leijssius legt uit (tot 3:26):
Argumentatie is aangeven waarom je iets doet of wilt of juist niet. Belangrijke begrippen zijn:
1. Standpunt = ook wel mening, je kan het onderbouwen met argumenten
2. Argumenten = redenen waarom je iets vindt. Er zijn 2 soorten
- feitelijke = controleerbaar
- waarderende = niet-controleerbaar
Argumentatie in context van de opleiding:
De opzet van een wetenschappelijk artikel is : inleiding, methode, resultaten en conclusie. In
de inleiding is een redenering met als standpunt: ”Dit onderzoek is belangrijk”. Hierin staan
verder argumenten ter onderbouwing van urgentie en eerdere onderzoeksresultaten.
In de methode is het standpunt: “Dit is een goed uitgevoerd onderzoek” en de argumenten
onderbouwing dit door aan te geven wat is gebruikt en hoe het dan goed is uitgevoerd.
In de conclusie zijn de standpunten: “Dit onderzoek heeft waardevolle informatie
opgeleverd” en “Dit onderzoek levert nieuwe vragen op die onderzocht moeten worden”. Er
zijn 2 standpunten omdat bij het afronden van een onderzoek ALTIJD nieuwe vragen zijn. De
argumenten bestaan uit de waargenomen en gemeten resultaten.
College 2: Argumentatiestructuur en vormen van meningsverschillen
Vormen van argumentatie:
, Enkelvoudig
Meervoudig
Nevenschikkend
Onderschikkend
Complex
Let op! Notatie gebruiken we zoals die in het boek “Logisch en Kritisch Denken wordt
gebruikt (met toevoeging van notatie uit “Argumentatie” voor verzwegen en
nevenschikkende argumenten.
Notatie in een argumentenschema:
- st = standpunt
- A # = argumenten #
Enkelvoudig:
De redenering bestaat uit 1 standpunt en 1 argument. Je moet hier oppassen voor
verzwegen argument. Een voorbeeld van een redenering met een verzwegen argument is:
st = Lisa heeft geen ruimtelijk inzicht
A = Lisa is een meisje
redenering = Lisa heeft geen ruimtelijk inzicht, want ze is een meisje.
Het verzwegen argument hier is “meisjes hebben geen ruimtelijk inzicht”. Als je dit
standpunt wil onderbouwen is “Lisa is een meisje” dus niet genoeg. Het gegeven argument
(A) is impliciet en het verzwegen argument (A’) is expliciet. In het schema geef je dit weer
met A – A’
Meervoudig:
De redenering bestaat uit 1 standpunt en meerdere argumenten. Alle argumenten zijn op
zichzelf al voldoende om het standpunt te verdedigen. Vaak kan je de meervoudige structuur
herkennen aan opsommende signaal woorden. Meerdere argumenten in het schema geef je
aan met A1, A2, A3 etc.
Nevenschikkend:
De redenering bestaat uit een standpunt en meerdere afhankelijke of samenhangende
argumenten. Afzonderlijk zijn ze te zwak of functioneren ze eerder als tegenwerping. In dit
schema geef je ze weer als argument A1a−A1b. Een voorbeeld is:
St = Ik moest dat hondje echt meenemen uit het asiel
A1a = Hij zat er al 2 jaar
A1b = Na 2 jaar in het asiel, laten ze honden inslapen
Redenering = Dat hondje zat al 2 jaar in het asiel en daarbij komt dat ze honden na 2 jaar
laten inslapen. Je begrijpt dus dat ik het hondje echt moest meenemen.
Onderschikkend:
Bij deze redenering is 1 standpunt en meerdere van elkaar afhankelijke stapsgewijs
geordende argumenten. De argumenten worden hier op hun beurt weer onderbouwd door
College 1: Introductie
Formele leerdoelen:
1. Op een wetenschappelijke manier nadenken over onderzoeksresultaten
2. De gedachtegang achter statistische onderbouwing van conclusies begrijpen
3. Onderzoeksverslagen en betogen beter opzetten en beoordelen
4. Professioneel kunnen deelnemen aan een pedagogische discussie
5. Engelstalige literatuur beter lezen en begrijpen
Waarom deze cursus?:
De kennis die je opdoet komt uit wetenschappelijke artikelen, deze kennis kan je later in je
werk toepassen. In deze artikelen wordt een verslag gegeven over de opzet, resultaten en
conclusie van het onderzoek. Om juiste informatie te vergaren is het belangrijk dat je de
waarde van het onderzoek kunt beoordelen, hier is een wetenschappelijk kritische houding
voor nodig. In dit vak wordt de grondslag gelegd door te leren over argumentatie en
redeneringen.
Meneer Leijssius legt uit (tot 3:26):
Argumentatie is aangeven waarom je iets doet of wilt of juist niet. Belangrijke begrippen zijn:
1. Standpunt = ook wel mening, je kan het onderbouwen met argumenten
2. Argumenten = redenen waarom je iets vindt. Er zijn 2 soorten
- feitelijke = controleerbaar
- waarderende = niet-controleerbaar
Argumentatie in context van de opleiding:
De opzet van een wetenschappelijk artikel is : inleiding, methode, resultaten en conclusie. In
de inleiding is een redenering met als standpunt: ”Dit onderzoek is belangrijk”. Hierin staan
verder argumenten ter onderbouwing van urgentie en eerdere onderzoeksresultaten.
In de methode is het standpunt: “Dit is een goed uitgevoerd onderzoek” en de argumenten
onderbouwing dit door aan te geven wat is gebruikt en hoe het dan goed is uitgevoerd.
In de conclusie zijn de standpunten: “Dit onderzoek heeft waardevolle informatie
opgeleverd” en “Dit onderzoek levert nieuwe vragen op die onderzocht moeten worden”. Er
zijn 2 standpunten omdat bij het afronden van een onderzoek ALTIJD nieuwe vragen zijn. De
argumenten bestaan uit de waargenomen en gemeten resultaten.
College 2: Argumentatiestructuur en vormen van meningsverschillen
Vormen van argumentatie:
, Enkelvoudig
Meervoudig
Nevenschikkend
Onderschikkend
Complex
Let op! Notatie gebruiken we zoals die in het boek “Logisch en Kritisch Denken wordt
gebruikt (met toevoeging van notatie uit “Argumentatie” voor verzwegen en
nevenschikkende argumenten.
Notatie in een argumentenschema:
- st = standpunt
- A # = argumenten #
Enkelvoudig:
De redenering bestaat uit 1 standpunt en 1 argument. Je moet hier oppassen voor
verzwegen argument. Een voorbeeld van een redenering met een verzwegen argument is:
st = Lisa heeft geen ruimtelijk inzicht
A = Lisa is een meisje
redenering = Lisa heeft geen ruimtelijk inzicht, want ze is een meisje.
Het verzwegen argument hier is “meisjes hebben geen ruimtelijk inzicht”. Als je dit
standpunt wil onderbouwen is “Lisa is een meisje” dus niet genoeg. Het gegeven argument
(A) is impliciet en het verzwegen argument (A’) is expliciet. In het schema geef je dit weer
met A – A’
Meervoudig:
De redenering bestaat uit 1 standpunt en meerdere argumenten. Alle argumenten zijn op
zichzelf al voldoende om het standpunt te verdedigen. Vaak kan je de meervoudige structuur
herkennen aan opsommende signaal woorden. Meerdere argumenten in het schema geef je
aan met A1, A2, A3 etc.
Nevenschikkend:
De redenering bestaat uit een standpunt en meerdere afhankelijke of samenhangende
argumenten. Afzonderlijk zijn ze te zwak of functioneren ze eerder als tegenwerping. In dit
schema geef je ze weer als argument A1a−A1b. Een voorbeeld is:
St = Ik moest dat hondje echt meenemen uit het asiel
A1a = Hij zat er al 2 jaar
A1b = Na 2 jaar in het asiel, laten ze honden inslapen
Redenering = Dat hondje zat al 2 jaar in het asiel en daarbij komt dat ze honden na 2 jaar
laten inslapen. Je begrijpt dus dat ik het hondje echt moest meenemen.
Onderschikkend:
Bij deze redenering is 1 standpunt en meerdere van elkaar afhankelijke stapsgewijs
geordende argumenten. De argumenten worden hier op hun beurt weer onderbouwd door