Bar-On + Onderbeke
Motorische controle, leren en ontwikkeling - Onderbeke
De motorische ontwikkeling tijdens de eerste twee levensjaren
Plexusletsel: plexus brachialis op rek gebracht
→ Centraal in hersenen bloeding
→ Gaat zich uiten in motoriek van het kind
Plasticiteit van het brein
→ Hoe vroeger in maturatieproces ingrijpen, hoe beter!
Levend verlies: kind is er nog, maar niet op manier dat het hoort
Niet enkel naar motoriek kijken → ook naar totale beeld van kind kijken
Zien op video
- 4 spelende kinderen
- veel variatie in houding
- veel verschillende leeftijden
- knie-zit, W-zit
- coördinatie van de kinderen
- opvangreacties
- …
1. Motorische ontwikkeling: kwalitatief en kwantitatief
Normaal ontwikkelend kind → zien op 6 weken (prematuur: tot leeftijd van 2 jaar leeftijd er aftrekken)
Belang van motorische ontwikkeling
● Motoriek is cruciaal voor de algemene ontwikkeling van het kind.
● Bij jonge kinderen draait bewegen vooral om indrukken en ervaringen opdoen.
● Beweging helpt het kind de omgeving en het eigen lichaam te leren kennen.
● Motorische ontwikkeling draagt bij aan communicatie en contact met de leefwereld.
● Naarmate het kind groeit, neemt de onafhankelijkheid en motorische vaardigheid toe.
Observatie en evaluatie
● Ontwikkeling kan gevolgd worden op verschillende domeinen:
○ Motorisch
○ Cognitief
○ Communicatief
○ Emotioneel
○ Sociaal
● Kennis van normale ontwikkeling helpt afwijkingen te herkennen en begrijpen.
Kwalitatieve vs kwantitatieve analyse
● Kwalitatief: analyse van de aard en kwaliteit van bewegingen, basis voor individueel behandelplan.
● Kwantitatief: volgen van ontwikkeling via mijlpalen, gericht op tijd en volgorde van bewegingen.
,Factoren die motorische ontwikkeling beïnvloeden
● Factoren werken altijd in interactie; geen factor werkt volledig onafhankelijk.
Endogene factoren (intern):
○ Genetische aanleg bepaalt gedeeltelijk tempo en volgorde van ontwikkeling.
○ Rijping van het neuro-motorisch systeem beïnvloedt levensfase-specifieke ontwikkeling.
○ Interindividuele verschillen bestaan; elk kind heeft een unieke tijdslijn.
→ bv. Kinderen mindere basistonus → moeilijker om zwaartekracht te overwinnen
● Omgevingsfactoren (extern):
○ Opvoedingsmethoden, culturele verschillen in verzorging, positie en kleding.
○ Slaap- en speelposities beïnvloeden motoriek.
→ bv. kind vaak op buik → meer kans op goede motorische ontwikkeling
→ bv. kind veel in draagzak → minder snel zelf aan rompcontrole komen
→ bv. in Afrikaanse landen kinderen heel vrij/Tibet kinderen ingebakerd
→ bv. warme laden meer bewegingsvrijheid/ koude laden ingepakt dus minder beweging
→ bv. opgroeien in appartement → minder beweging
→ bv. wegwerpluiers en gewone luiers verschil in leren stappen
Plasticiteit en zelfregulatie
● Kinderen kunnen vaak achterstanden inhalen door zelfregulatie.
● Plasticiteit is beperkt; ernstige deprivatie kan blijvende effecten hebben.
● Herstel hangt af van:
○ Duur en ernst van de deprivatie
○ Leeftijd van het kind
○ Groeipotentieel
○ Kwaliteit van latere stimulatie
Rol van stimulatie
● Adequate ontwikkelingsstimulatie kan motorische ontwikkeling bevorderen.
● Effect is het grootst wanneer stimulatie op het juiste moment in de ontwikkeling wordt aangeboden.
We spreken over typische en atypische ontwikkeling in plaats van normale en abnormale!
2. Ontwikkelingsprincipes
Neurologisch rijpingsmodel
● Beschouwt motorische ontwikkeling als hiërarchisch en volgens een vast rijpingspatroon.
● Ontwikkeling van houdings- en bewegingspatronen verloopt volgens vaste richtlijnen, maar is niet absoluut.
Ontogenetische ontwikkelingsprincipes (Gesell, 1954)
● Ontwikkelingsrichting:
○ Cefalo-caudaal: controle van spieren verloopt van hoofd naar voeten.
■ Voorbeeld: foetus ontwikkelt eerst armcontrole, dan benen.
○ Proximo-distaal: controle van spieren verloopt van centraal naar perifeer.
■ Voorbeeld: schouders → polsen → handen → vingers.
● Richting kan beïnvloed worden door andere factoren; niet strikt vaststaand.
,Neuro-motorische maturatie
● Differentiatie: bewegingen evolueren van globale, grof gecoördineerde patronen → verfijnde, geïsoleerde bewegingen.
○ Voorbeeld: grijpbeweging evolueert van ongerichte armbeweging → gecontroleerde reik- en grijpbeweging.
● Integratie: toenemende coördinatie tussen spieren en sensorische systemen.
○ Visueel, motorisch en andere systemen werken steeds beter samen.
Organisatie van beweging
● Begin: bewegingen zijn vaak asymmetrisch.
● Later: organisatie naar de middellijn → symmetrische houdingen.
● Symmetrische houdingen bereiden voor op functionele asymmetrische bewegingen gekoppeld aan gewichtstransfer.
Evolutie van bewegingspatronen
● Kind ontwikkelt zich van stereotiepe, uniforme bewegingen → meer gevarieerde en functionele houdings- en
bewegingspatronen.
3. Onderzoek van een baby
3.1 Babyreacties
Definitie en belang
● Babyreacties = reflexmatige bewegingen bij pasgeborenen.
● Worden gebruikt in neurologisch onderzoek om de neurologische status te beoordelen.
● Verschil met volwassen reflexen:
○ Grote variabiliteit in uitvoering (inter- en intra-individueel).
○ Niet altijd oproepbaar; afhankelijk van alertheid/arousal.
○ Meestal leeftijdsgebonden; verdwijnen na een bepaalde tijd.
Kenmerken
● Ontstaan automatisch vanuit de hersenstam, zonder cortexinterventie.
● Helpen overleven en dragen bij aan de ontwikkeling van het zenuwstelsel.
● Ondersteunen: balans, spannen/ontspannen van spieren, bewegingsinformatie.
Ontwikkeling
● Eerste 6 maanden: centraal zenuwstelsel (CZS) ontwikkelt zich verder.
● Geleidt tot:
○ Meer controle over motorische activiteiten.
○ Transitie van automatische reflexen → gewilde bewegingen.
● Integratie van primitieve reacties in het CZS is essentieel voor gevarieerde houdingen en bewegingen.
Typen en functie
● Overlevingsreflexen: onmiddellijk na geboorte aanwezig.
● Later optredende reacties: ondersteunen specifieke bewegingen (bv. stappen, kruipen, zwemmen).
● Houdingsreacties (posturale reacties):
○ Niet direct aanwezig bij geboorte.
○ Gecoördineerde bewegingen van romp, hoofd en ledematen.
○ Voorlopers van posturale controle en aanpassing aan veranderende omgeving.
, Belang voor motorische ontwikkeling
● Babyreacties vormen de basis voor latere motorische controle en gevarieerde bewegingen.
● Ze zijn tijdelijk; verdwijnen meestal na het eerste levensjaar.
Babyreacties:
1. Zoek-, zuig- en slikreacties
● Zoekreactie (rooting reflex): hoofd draait naar aanraking van mondzijkant.
● Zuigreactie: object in de mond → zuigen.
● Slikreactie: zuigen op melk/smaakvolle substantie → inslikken.
● Belangrijk voor overleving.
2. Hoofdoprichtreactie
● Bij geboorte vaak afwezig.
● Rond 5 dagen: ~50% kan in buikligging hoofd 2 seconden optillen door rugkromming.
● Eerste stap in romp- en nekcontrole.
3. Grijpreacties (hand en voet)
● Palmaire grijpreflex: hand sluit zich rond object; duim nog niet betrokken; versterkt bij zuigen.
● Voetzoolgrijpreflex: voet maakt grijpbeweging bij stimulatie van voetzool.
● Heel krachtig → eenmaal voorwerp vast, kunnen ze niet loslaten
→ gaat verdwijnen als het kind hand gaat leren gebruiken (4 maanden)
4. Galantreactie (wervelkolomreactie)
● Laterale kromming van romp bij strijken langs zijkant lichaam in buikligging.
● Flexie treedt op aan gestimuleerde kant.
Motorische controle, leren en ontwikkeling - Onderbeke
De motorische ontwikkeling tijdens de eerste twee levensjaren
Plexusletsel: plexus brachialis op rek gebracht
→ Centraal in hersenen bloeding
→ Gaat zich uiten in motoriek van het kind
Plasticiteit van het brein
→ Hoe vroeger in maturatieproces ingrijpen, hoe beter!
Levend verlies: kind is er nog, maar niet op manier dat het hoort
Niet enkel naar motoriek kijken → ook naar totale beeld van kind kijken
Zien op video
- 4 spelende kinderen
- veel variatie in houding
- veel verschillende leeftijden
- knie-zit, W-zit
- coördinatie van de kinderen
- opvangreacties
- …
1. Motorische ontwikkeling: kwalitatief en kwantitatief
Normaal ontwikkelend kind → zien op 6 weken (prematuur: tot leeftijd van 2 jaar leeftijd er aftrekken)
Belang van motorische ontwikkeling
● Motoriek is cruciaal voor de algemene ontwikkeling van het kind.
● Bij jonge kinderen draait bewegen vooral om indrukken en ervaringen opdoen.
● Beweging helpt het kind de omgeving en het eigen lichaam te leren kennen.
● Motorische ontwikkeling draagt bij aan communicatie en contact met de leefwereld.
● Naarmate het kind groeit, neemt de onafhankelijkheid en motorische vaardigheid toe.
Observatie en evaluatie
● Ontwikkeling kan gevolgd worden op verschillende domeinen:
○ Motorisch
○ Cognitief
○ Communicatief
○ Emotioneel
○ Sociaal
● Kennis van normale ontwikkeling helpt afwijkingen te herkennen en begrijpen.
Kwalitatieve vs kwantitatieve analyse
● Kwalitatief: analyse van de aard en kwaliteit van bewegingen, basis voor individueel behandelplan.
● Kwantitatief: volgen van ontwikkeling via mijlpalen, gericht op tijd en volgorde van bewegingen.
,Factoren die motorische ontwikkeling beïnvloeden
● Factoren werken altijd in interactie; geen factor werkt volledig onafhankelijk.
Endogene factoren (intern):
○ Genetische aanleg bepaalt gedeeltelijk tempo en volgorde van ontwikkeling.
○ Rijping van het neuro-motorisch systeem beïnvloedt levensfase-specifieke ontwikkeling.
○ Interindividuele verschillen bestaan; elk kind heeft een unieke tijdslijn.
→ bv. Kinderen mindere basistonus → moeilijker om zwaartekracht te overwinnen
● Omgevingsfactoren (extern):
○ Opvoedingsmethoden, culturele verschillen in verzorging, positie en kleding.
○ Slaap- en speelposities beïnvloeden motoriek.
→ bv. kind vaak op buik → meer kans op goede motorische ontwikkeling
→ bv. kind veel in draagzak → minder snel zelf aan rompcontrole komen
→ bv. in Afrikaanse landen kinderen heel vrij/Tibet kinderen ingebakerd
→ bv. warme laden meer bewegingsvrijheid/ koude laden ingepakt dus minder beweging
→ bv. opgroeien in appartement → minder beweging
→ bv. wegwerpluiers en gewone luiers verschil in leren stappen
Plasticiteit en zelfregulatie
● Kinderen kunnen vaak achterstanden inhalen door zelfregulatie.
● Plasticiteit is beperkt; ernstige deprivatie kan blijvende effecten hebben.
● Herstel hangt af van:
○ Duur en ernst van de deprivatie
○ Leeftijd van het kind
○ Groeipotentieel
○ Kwaliteit van latere stimulatie
Rol van stimulatie
● Adequate ontwikkelingsstimulatie kan motorische ontwikkeling bevorderen.
● Effect is het grootst wanneer stimulatie op het juiste moment in de ontwikkeling wordt aangeboden.
We spreken over typische en atypische ontwikkeling in plaats van normale en abnormale!
2. Ontwikkelingsprincipes
Neurologisch rijpingsmodel
● Beschouwt motorische ontwikkeling als hiërarchisch en volgens een vast rijpingspatroon.
● Ontwikkeling van houdings- en bewegingspatronen verloopt volgens vaste richtlijnen, maar is niet absoluut.
Ontogenetische ontwikkelingsprincipes (Gesell, 1954)
● Ontwikkelingsrichting:
○ Cefalo-caudaal: controle van spieren verloopt van hoofd naar voeten.
■ Voorbeeld: foetus ontwikkelt eerst armcontrole, dan benen.
○ Proximo-distaal: controle van spieren verloopt van centraal naar perifeer.
■ Voorbeeld: schouders → polsen → handen → vingers.
● Richting kan beïnvloed worden door andere factoren; niet strikt vaststaand.
,Neuro-motorische maturatie
● Differentiatie: bewegingen evolueren van globale, grof gecoördineerde patronen → verfijnde, geïsoleerde bewegingen.
○ Voorbeeld: grijpbeweging evolueert van ongerichte armbeweging → gecontroleerde reik- en grijpbeweging.
● Integratie: toenemende coördinatie tussen spieren en sensorische systemen.
○ Visueel, motorisch en andere systemen werken steeds beter samen.
Organisatie van beweging
● Begin: bewegingen zijn vaak asymmetrisch.
● Later: organisatie naar de middellijn → symmetrische houdingen.
● Symmetrische houdingen bereiden voor op functionele asymmetrische bewegingen gekoppeld aan gewichtstransfer.
Evolutie van bewegingspatronen
● Kind ontwikkelt zich van stereotiepe, uniforme bewegingen → meer gevarieerde en functionele houdings- en
bewegingspatronen.
3. Onderzoek van een baby
3.1 Babyreacties
Definitie en belang
● Babyreacties = reflexmatige bewegingen bij pasgeborenen.
● Worden gebruikt in neurologisch onderzoek om de neurologische status te beoordelen.
● Verschil met volwassen reflexen:
○ Grote variabiliteit in uitvoering (inter- en intra-individueel).
○ Niet altijd oproepbaar; afhankelijk van alertheid/arousal.
○ Meestal leeftijdsgebonden; verdwijnen na een bepaalde tijd.
Kenmerken
● Ontstaan automatisch vanuit de hersenstam, zonder cortexinterventie.
● Helpen overleven en dragen bij aan de ontwikkeling van het zenuwstelsel.
● Ondersteunen: balans, spannen/ontspannen van spieren, bewegingsinformatie.
Ontwikkeling
● Eerste 6 maanden: centraal zenuwstelsel (CZS) ontwikkelt zich verder.
● Geleidt tot:
○ Meer controle over motorische activiteiten.
○ Transitie van automatische reflexen → gewilde bewegingen.
● Integratie van primitieve reacties in het CZS is essentieel voor gevarieerde houdingen en bewegingen.
Typen en functie
● Overlevingsreflexen: onmiddellijk na geboorte aanwezig.
● Later optredende reacties: ondersteunen specifieke bewegingen (bv. stappen, kruipen, zwemmen).
● Houdingsreacties (posturale reacties):
○ Niet direct aanwezig bij geboorte.
○ Gecoördineerde bewegingen van romp, hoofd en ledematen.
○ Voorlopers van posturale controle en aanpassing aan veranderende omgeving.
, Belang voor motorische ontwikkeling
● Babyreacties vormen de basis voor latere motorische controle en gevarieerde bewegingen.
● Ze zijn tijdelijk; verdwijnen meestal na het eerste levensjaar.
Babyreacties:
1. Zoek-, zuig- en slikreacties
● Zoekreactie (rooting reflex): hoofd draait naar aanraking van mondzijkant.
● Zuigreactie: object in de mond → zuigen.
● Slikreactie: zuigen op melk/smaakvolle substantie → inslikken.
● Belangrijk voor overleving.
2. Hoofdoprichtreactie
● Bij geboorte vaak afwezig.
● Rond 5 dagen: ~50% kan in buikligging hoofd 2 seconden optillen door rugkromming.
● Eerste stap in romp- en nekcontrole.
3. Grijpreacties (hand en voet)
● Palmaire grijpreflex: hand sluit zich rond object; duim nog niet betrokken; versterkt bij zuigen.
● Voetzoolgrijpreflex: voet maakt grijpbeweging bij stimulatie van voetzool.
● Heel krachtig → eenmaal voorwerp vast, kunnen ze niet loslaten
→ gaat verdwijnen als het kind hand gaat leren gebruiken (4 maanden)
4. Galantreactie (wervelkolomreactie)
● Laterale kromming van romp bij strijken langs zijkant lichaam in buikligging.
● Flexie treedt op aan gestimuleerde kant.