Gezondheidseconomie gaat over het optimaliseren van volksgezondheid en kwaliteit van leven,
waarbij beschikbare middelen zo efficiënt mogelijk worden benut. Het gaat niet alleen om geld
besparen, maar om slim kiezen voor maximale gezondheidswinst.
➔ We willen meer dan mogelijk is (‘beperkte resources’ en ‘onbeperkte wants’), dus moeten we
keuzes maken over wat we ons kunnen veroorloven (‘trade-offs’ en ‘decision-making’).
Niveaus van gezondheidseconomie:
- Individuen (patiënten, consumenten): keuzes, gedrag → micro
o Voorbeeld: Waarom kiest iemand wel of niet voor een bepaalde behandeling?
- Organisaties (ziekenhuizen, verzekeraars): productie, efficiëntie → micro
o Voorbeeld: Hoe bepaalt een ziekenhuis hoeveel personeel of apparatuur het inzet?
- Overheid (beleidsmakers): regulering, interventies → macro
o Voorbeeld: Regels voor prijzen van medicijnen.
- Samenleving/omgeving (bevolking, omgeving): trends, systeemfactoren → macro
o Voorbeeld: Culturele normen over gezondheid.
Micro-economie = economisch gedrag van individuele eenheden (bv. zorgaanbieders, ziekenhuizen).
Macro-economie = economisch gedrag van samengestelde economische eenheden (bv. landen,
economische groei, werkgelegenheid, inkomensverdeling).
Positieve economie = Verklaart en beschrijft economische verschijnselen. Gebaseerd op feiten en
observaties → “Hoe het is”.
Normatieve economie = Geeft aanbevelingen en oordelen over wat wenselijk is. Gebaseerd op
meningen, ethiek en waardeoordelen → “Hoe het zou moeten zijn”.
Waarom gezondheidseconomie?
1. We hechten waarde aan gezondheid.
Gezondheid draagt bij aan ons geluk (utility), maar is niet ons enige doel. We moeten dus keuzes
(trade-offs) maken tussen gezondheid en andere dingen die ons tevreden maken, zowel persoonlijk
als maatschappelijk.
2. Gezondheidssector van belang voor economie
De zorgsector is goed voor ongeveer 10% van het bruto binnenlands product (= totale waarde van
alles wat een land in een jaar produceert), maar de kosten stijgen sneller dan de economie.
Vergrijzing, chronische ziekten, technologie en personeelstekorten vergroten de druk. Een weerbaar
gezondheidssysteem met kwaliteit, betaalbaarheid en gelijke toegang is nodig en levert economische
voordelen op, zoals hogere productiviteit en arbeidsaanbod, maar ook minder overheidsuitgaven.
3. Gezondheid wordt beïnvloed door besluitvorming (micro-macro)
Opportunity costs = wat je mist als je een resource aan iets anders besteedt (studeren of tussenjaar)
- Need: iets wat je nodig hebt om te overleven.
- Want: iets wat je wilt, maar niet nodig hebt.
- Demand: iets willen (want) en kunnen betalen (willingness to pay).
Core of economics = middelen zijn beperkt, terwijl wensen (wants) oneindig zijn. Het draait om de
juiste balans tussen kosten en baten, bijvoorbeeld bij zorgstelsel, eigen risico of budgetten.
4. Besluitvorming in gezondheidssector vaak op basis van economische afwegingen
Keuzes in de zorg zijn gebaseerd op efficiency (maximaal resultaat) en equity (eerlijk verdelen).
Economische evaluaties vergelijken kosten met effecten (ziekenhuisopnames), nut (kwaliteit van
leven) of maatschappelijke baten (productiviteit).
,Zorgmarkt vs andere markten
- Patiënten ≠ consumenten: diverse needs/wants, moeilijk kwaliteit te beoordelen, beperkte
keuze en informatie voor patiënten.
- Dokters ≠ bedrijven: kennis- en vaardigheidsverschillen, niet primair winstgedreven,
sociale/ethische factoren belangrijk, tarieven kunnen verschillen voor doctoren.
- Overheid en beleidsmakers: beslist over regulatie, zorgstelsel, investeringen en beleid, en
weegt kosten, kwaliteit, solidariteit en duurzaamheid af.
Drie kernprincipes van gezondheidsbeleid
1. Kwaliteit: maatschappelijke middelen moeten leiden tot de best mogelijke zorg.
2. Solidariteit: gelijke zorg voor gelijke behoeften, ongeacht inkomen of achtergrond.
3. Duurzaamheid: zorgkosten mogen niet onbeperkt stijgen om kwaliteit te behouden.
Breder dan ziekte: omvat formele/informele zorg (betaald/onbetaald), curatieve/preventieve zorg
(ziekte voorkomen, gezonde leefstijl), en gezondheid als onderdeel van brede welvaart (participatie,
welzijn, sociale cohesie).
, COLLEGE 2: Economie voor een gezonde samenleving
Wat is de economie? De economie is een open systeem voor productie, verdeling, consumptie en
verwerking van hulpbronnen. Het voorziet samenlevingen in hun levensonderhoud en kwaliteit.
➔ Oorsprong: Oudgrieks oikos (huis) + nomos (regel) = “huishoudkunde”.
Belangrijkste spelers economie: Individuen, organisaties, sectoren en mondiaal economisch systeem.
Kate Raworth (ecological economics): “De economie hangt volledig van de natuur af, zowel van
natuurlijke hulpbronnen (lucht, water en grondstoffen) als van diensten zoals bijenbestuiving”.
Ha-Joon Chang: “De wasmachine gaf vrouwen tijd en vrijheid, waardoor ze beter konden deelnemen
aan werk en samenleving”.
Wat is een gezonde stad? Een plek waar mensen veilig, gezond en gelukkig kunnen leven. De
omgeving en de planeet ondersteunen welzijn, samenwerking en een goede levensstijl.
Economische theorieën zijn manieren om de economie te begrijpen. Ze beïnvloeden welke doelen
worden nagestreefd, welke acties worden ondernomen om die doelen te bereiken, en hoe
veranderingen in de economie worden aangepakt.
Volgens Sodani (2022) willen we altijd meer dan we kunnen krijgen. Economie bestudeert hoe
samenlevingen omgaan met deze schaarste.
Economische benaderingen:
• Neo-klassieke economie: Richt zich op winst en inkomen in een vrije markt, gebruikt
middelen efficiënt (Pareto-efficiëntie) en streeft economische groei na om het welzijn te
verbeteren, vaak gemeten via het BBP.
• The Care Economy: Welvaart draait om gezondheid en zorg in plaats van geld en groei. Het
behoudt gezondheid, voorkomt pijn en waardeert zorg als herstellende kracht.
• Ecologische economie: De economie is onderdeel van samenleving en natuur. Ze kijkt naar
hulpbronnen, sociale effecten en basisbehoeften binnen de grenzen van de planeet.
Gerelateerde benaderingen: Degrowth (minder groei, meer duurzaamheid), Steady-State
(stabiele economie), Wellbeing (focus op welzijn), Donut (genoeg voor iedereen zonder de
aarde te beschadigen).
• Gedragseconomie: Mensen handelen niet altijd rationeel; emoties, gewoonten en waarden
beïnvloeden keuzes. Beleid moet hier rekening mee houden.
• Feministische economie: erkent onbetaalde zorg- en huishoudarbeid, streeft naar
gendergelijkheid, sociale rechtvaardigheid, milieuzorg en kijkt verder dan alleen BBP als
maatstaf.
• Institutionele economie: Instituten zoals wetten, beleid en cultuur bepalen economische en
gezondheidsresultaten.
• Marxistische economie: Richt zich op machtsverhoudingen en ongelijkheid.
• Evolutionaire economie: De economie verandert continu; niets is statisch.
• Complexity economie: De economie is complex met veel interacties en onverwachte
kantelpunten (= tipping points).
Alternatieve interventies kunnen de economie eerlijker en duurzamer maken. Denk aan belastingen
op vervuiling, herverdeling van geld, basisinkomen of gratis diensten, kortere werkweken, betere
werknemersrechten, steun aan sociale ondernemingen en overheidsinvesteringen via nieuw geld.