Sociale psychologie = gaat over het denken, doen en voelen van mensen en hoe dat wordt beïnvloed
door anderen (mensen gedragen zich namelijk anders als ze alleen zijn).
Menselijk gedrag wordt voornamelijk beïnvloedt door ervaringen in reactie op de omgeving
(behaviorism = de invloed van de omgeving).
- Jaren 20: Gedrag komt door een mix van instinct en ervaring.
- Tweede Wereldoorlog: Onderzoek naar waarom mensen gehoorzamen, zelfs bij slechte
daden.
- Jaren 70/80: Focus op hoe mensen denken en informatie verwerken (=cognitie).
Vier basis aannames van sociale psychologie:
- Gedrag ontstaat door de persoon én de situatie → Milgram-experiment: mensen bleven
anderen schokken geven door druk van een autoriteit.
- Onze gedachten, gevoelens en gedragingen zijn sociaal bepaald → We geven dingen
betekenis door wat anderen denken, zoals bij zelfvergelijking met anderen.
- Gedrag wordt beïnvloed door sociale cognitie → We reageren op anderen door
inlevingsvermogen en hoe we situaties inschatten.
- Sociaal gedrag moet wetenschappelijk onderzocht worden, dus niet alleen aannames.
(Gedrags)priming = Het activeren van een stimulus zorgt ervoor dat een andere, gerelateerde
stimulus gemakkelijker wordt verwerkt → makkelijker gezegd: Als je iets hoort of ziet, helpt dat je om
iets anders dat erop lijkt sneller te herkennen (Bijvoorbeeld: Als je het woord “hond” hoort, herken je
het woord “kat” sneller omdat ze met elkaar te maken hebben.
Wat betekent het als het effect niet repliceert? Dat betekent dat andere onderzoekers het effect niet
opnieuw kunnen aantonen, zelfs als ze hetzelfde onderzoek doen. Dit kan komen door:
- Het resultaat was toevallig (geen echt effect).
- De omstandigheden of meetmethode waren iets anders.
- Het effect werkt alleen in een specifieke context (bijv één cultuur of leeftijdsgroep).
- Er waren fouten in de analyse of uitvoering van het oorspronkelijke onderzoek.
,COLLEGE 2: Onderzoeksmethoden
Het belang van keuzevrijheid:
- Mensen willen graag zelf keuzes maken.
- Reactance theorie (Brehm) → Als keuzevrijheid wordt beperkt, willen mensen die keuze juist
meer.
- Keuze is beter dan geen keuze.
- Meer keuze is beter dan weinig keuze: betere kans om iets te vinden wat bevalt, keuze
variatie over tijd en autonomie (→ met je keuzes kunnen laten zien wie jij bent).
Maar meer keuze is niet altijd beter → Nieuwe hypothese: “te veel keuze verlamt mensen”
(onderzoeken geven wisselende resultaten). Vervolgonderzoek kijkt: welke eigenschappen of situaties
(= moderatoren) bepalen of veel keuze goed of slecht is? Leidt tot meer inzicht in wat werkt.
Wat is een goede theorie in de sociale psychologie? Een goede theorie in sociale psychologie legt op
een simpele manier uit hoe dingen samenhangen, geeft nieuwe ideeën voor onderzoek en helpt
echte problemen op te lossen.
Onderzoeksmethoden:
- Kwalitatieve methoden = Goed voor verdiepen, begrijpen van ervaringen, betekenis
achterhalen (tekstenanalyse, interviews, focus groups).
- Kwantitatieve methoden = Goed voor meten, vergelijken en generaliseren.
- Longitudinale studies = Meten dingen over langere tijd en helpen beter te begrijpen wat
oorzaak en gevolg is (verhoogt causaliteit).
- Experimenten
- Meta-analyse = Resultaten van veel studies worden samen bekeken.
- Meten van de afhankelijke variabele (gedrag) = Open vragen. Oordelen en
beoordelingsschalen. Observaties van gedrag.
Zelfrapportage (vragenlijsten) is makkelijk, maar mensen geven soms onjuiste antwoorden door
vergeetachtigheid of sociale wenselijkheid. Daarom gebruiken onderzoekers ook objectievere
methoden, zoals VR-brillen, hersenscans, zweetmetingen of oogbewegingen.
Causaliteit = A veroorzaakt B.
➔ Correlationele methoden = Laat zien of dingen samen voorkomen, maar betekent niet dat
het ene het andere veroorzaakt.
Spurieuze correlatie (schijnverband) = Twee dingen lijken samen te hangen, maar een derde
oorzaak zorgt ervoor (= confounder).
Maximizers = mensen die altijd opzoek gaan naar de beste mogelijke keuze (veel keuzestress).
Satisficers = nemen genoegen met een optie die ‘goed’ is (minder stress, meer tevreden).
Mediator = legt uit hoe/waarom iets gebeurt (stress → SLECHTE SLAAP → slechtere gezondheid).
Moderator = legt uit wanneer of voor wie iets gebeurt (SOCIALE STEUN → minder stress, betere
gezondheid).
Wat zijn kenmerken van een goed experiment? Onafhankelijke variabele(n) manipuleren.
Afhankelijke variabele meten. Random toewijzing. Controle over externe invloeden. Indien mogelijk:
controle conditie (= groep die niet verandert, zodat je de verandering kunt vergelijken).
Quasi-experiment: Je vergelijkt groepen zonder dat mensen willekeurig zijn verdeeld, bijvoorbeeld
mannen versus vrouwen of verschillende werkgroepen.
➔ Nadeel: De resultaten zijn soms minder betrouwbaar, omdat andere dingen (zoals tijdstip of
lesmethoden) ook kunnen verschillen.
, Beoordelen van onderzoek: validiteit
1. Constructvaliditeit: Meten we echt wat we willen meten?
Problemen: Mensen zeggen soms wat ze denken dat moet (sociaal wenselijk), gedragen zich
anders als ze weten dat ze bekeken worden (reactiviteit), of kennen zichzelf niet goed.
Oplossingen: Onopvallend meten en alleen een algemene uitleg geven over het onderzoek
(cover story).
2. Interne validiteit: Betekent dat je zeker weet dat de verandering in wat je meet (de
afhankelijke variabele) echt komt door wat je verandert (de onafhankelijke variabele), en niet
door iets anders. Alternatieve verklaringen moeten uitgesloten zijn.
3. Externe validiteit: Kunnen we de resultaten toepassen op andere mensen, situaties of tijden?
In sociale psychologie worden vaak alleen mensen onderzocht uit WEIRD-groepen: wit, westers,
opgeleid, rijk en uit ontwikkelde democratische landen.
Ethische overwegingen: Zijn de bevindingen uit het onderzoek waardevol genoeg om eventuele
stress of ongemak van deelnemers te rechtvaardigen?