2026 (2)
Inhoud van dit bestand
Ruim 190 oefenvragen over hoofdstukken 1, 2, 4 t/m 9, 34 t/m 36 én het nieuwe
hoofdstuk 61 uit Guyton and Hall Textbook of Medical Physiology (Arthur Guyton &
John Hall, 15e druk)
De vragen zijn gecontroleerd op relevantie voor de nieuwste druk (15e druk)
Hoi! Op het moment dat je dit leest, ben jij je waarschijnlijk aan het voorbereiden op het
toelatingsexamen.
Super leuk dat je de pre-master komend jaar wilt gaan doen!
Om je een beetje te helpen, hebben wij in dit document ruim 190 oefenvragen gezet zodat
je alvast een beetje kan oefenen.
We hebben de oefenvragen vertaald naar het Nederlands, omdat het toelatingsexamen ook
in het Nederlands zal zijn.
Dit oefententamen is samengesteld door twee pre-master studenten die beiden via het
toelatingsexamen zijn toegelaten (afgelopen jaar en het jaar daarvoor). Alle vragen zijn op
het niveau van de bachelor Geneeskunde en waren de afgelopen twee jaar vergelijkbaar met
de vragen op het officiële toelatingsexamen. Destijds hebben wij ontzettend veel gehad aan
deze oefenvragen, en nu willen we ze graag met jullie delen!
Zie ook de andere 2 oefententamens die we op stuvia hebben staan als je nog meer wilt
oefenen! :)
We wensen jullie ontzettend veel succes met alle voorbereidingen. Zet ‘m op!
Ps: Mocht je vragen hebben over de PMG in het algemeen, stuur ons dan gerust een
berichtje – het hoeft niet alleen over dit document te gaan.
Mocht je spellings- of vertaalfouten, irrelevante vragen of andere dingen tegenkomen, laat
het dan ook vooral weten.
, Oefententamen
Hoofdstuk 1: Functional Organization of the Human Body and Control of the “Internal
Environment”
1. Welke uitspraak over microbiota is correct?
(a) Ze zijn uitsluitend pathogeen
(b) Ze overtreffen het aantal menselijke cellen in het lichaam
(c) Ze bevinden zich alleen in het maag-darmkanaal
(d) Hun functies zijn volledig bekend
2. Welke celcomponent is essentieel voor het handhaven van verschillen tussen intra- en
extracellulaire ionconcentraties?
(a) Cytoskelet
(b) Celkern
(c) Celmembraan
(d) Mitochondrium
3. Welke ionen komen relatief het meest voor in de extracellulaire vloeistof?
(a) Kalium en fosfaat
(b) Magnesium en fosfaat
(c) Natrium en chloride
(d) Calcium en bicarbonaat
4. Welke uitspraak over homeostatische regulatie is correct?
(a) Alle variabelen worden exact constant gehouden
(b) Variatie binnen een bepaald bereik is normaal
(c) Alleen het zenuwstelsel is betrokken
(d) Compensatie treedt alleen op bij gezondheid
5. Wat gebeurt er primair wanneer de CO₂-concentratie in het bloed stijgt?
(a) Stimulatie van het ademhalingscentrum
(b) Vasodilatatie in de nieren
(c) Remming van de ademhaling
(d) Afname van zuurstofafgifte door hemoglobine
6. Welke functie vervult de lever NIET primair?
(a) Detoxificatie
(b) Filtratie van plasma
(c) Metabole omzetting
(d) Excretie via gal
7. Welke stof wordt vooral door de nieren uit het lichaam verwijderd?
(a) Koolstofdioxide
(b) Glucose
(c) Bilirubine
(d) Ureum