Taak 4: Een nieuwe vijand
1. Wat is een infectieziekte?
Het is te beschouwen als een aparte groep ziekten van de mens, het gaat om
het gevolg van een interactie tussen de mens en een ander biologisch-agens:
een micro-organisme. Bij een infectieziekte is er een bepaalde vorm van
interactie waarbij schade optreedt voor de mens.
Infectieziekten behoren tot de meest prevalente aandoeningen van de mens en
op mondiaal niveau zijn ze nog steeds de belangrijkste oorzaak van vermijdbare
sterfte. Ze komen op alle leeftijden voor en kunnen alle organen en weefsels
van het lichaam treffen.
Men spreekt van een infectie(ziekte) als de interactie tussen het micro-
organisme en de gastheer leidt tot schade of een veranderde fysiologie bij de
gastheer. De schade of veranderde fysiologie kan resulteren in waarneembare
symptomen en verschijnselen maar kan ook langdurig onopgemerkt blijven.
Om te bewijzen dat een micro-organisme een causale rol speelt in het ontstaan
van de ziekte, heeft Robert Koch drie postulaten opgesteld, bekend als ‘de
postulaten van Koch’:
1. De verwekker moet worden gevonden bij alle patiënten die aan de
desbetreffende infectieziekte lijden, maar niet bij gezonden. De verdeling van
de verwekker in of op het lichaam moet overeenkomen met de locatie van
waargenomen laesies.
2. De verwekker moet uit materiaal van de patiënt geïsoleerd en buiten het
lichaam in reincultuur gekweekt kunnen worden.
3. Het geïsoleerde micro-organisme moet bij enting in een gevoelige diersoort
aanleiding geven tot de karakteristieke ziekteverschijnselen en weer uit het
proefdier kunnen worden geïsoleerd.
, 2. Wat zijn virussen en bacteriën (verschillen)?
Virussen vormen een aparte groep biologische agentia die ziekte bij de mens
kunnen veroorzaken. Hun meest karakteristieke eigenschap is dat zij voor
vermeerdering afhankelijk zijn van levende gastheercellen. Ze zijn kleiner dan
bacterien (niet zichtbaar onder lichtmicroscoop) en bevatten alleen DNA of
alleen RNA als drager van genetische informatie. (men denkt dat het misschien
degeneratieve vormen van bacterien of eukaryote cellen of dat ze het
verzelfstandigde onderdelen van cellulair DNA of RNA zijn.)
Bacterien zijn wel onder de lichtmicroscoop te zien. Cellen van Eucarya: Zij
bezitten een duidelijke celkern met meerdere chromosomen omgeven door een
kernmembraan (eurayoot) terwijl de cellen van Bacteria en Archea slechts over
1 circulair gesloten chromosoom beschikken dat vrij in de cel ligt (prokaryoot).
Ze hebben naast hun chromosoom vaak ook kleine, circulair gesloten, DNA-
moleculen die zich zelfstandig in het cytoplasma handhaven en repliceren.
(worden plasmiden genoemd)
Een bacterie heeft wel een celwand om het plasmamembraan van
peptidoglycaan en is gevoelig voor antibiotica. Het kan zich vermenigvuldigen
binnen en buiten de gastheercel. En heeft 70S ribosomen. Kan zich binden op
DNA & RNA
Een virus heeft geen ribosomen en ook geen celwand om het
plasmamembraan, het is ook niet gevoelig antibiotica en kan zich alleen binnen
de gastheercel repliceren. Een virus kan een levende cel binnendringen, daarin
vermenigvuldigen en vervolgens vrijkomt in een opnieuw infectieuze staat. Een
virus is zelf geen levend micro-organisme maar kan wel interactie aangaan met
een levende cel.
Structuur van een virus bestaat uit een nucleïnezuur (DNA of RNA), omgeven
door een eitwitmantel. Omdat een virus geen ribosomen heeft kan het dus niet
zelfstandig eiwitten synthetiseren.
Een virus met een envelop is gevoelig voor warmte en een virus zonder envelop
is dat niet.
De envelop is opgebouwd uit het cyclysplasmamembraan of het EPR van de
gastheer
1. Wat is een infectieziekte?
Het is te beschouwen als een aparte groep ziekten van de mens, het gaat om
het gevolg van een interactie tussen de mens en een ander biologisch-agens:
een micro-organisme. Bij een infectieziekte is er een bepaalde vorm van
interactie waarbij schade optreedt voor de mens.
Infectieziekten behoren tot de meest prevalente aandoeningen van de mens en
op mondiaal niveau zijn ze nog steeds de belangrijkste oorzaak van vermijdbare
sterfte. Ze komen op alle leeftijden voor en kunnen alle organen en weefsels
van het lichaam treffen.
Men spreekt van een infectie(ziekte) als de interactie tussen het micro-
organisme en de gastheer leidt tot schade of een veranderde fysiologie bij de
gastheer. De schade of veranderde fysiologie kan resulteren in waarneembare
symptomen en verschijnselen maar kan ook langdurig onopgemerkt blijven.
Om te bewijzen dat een micro-organisme een causale rol speelt in het ontstaan
van de ziekte, heeft Robert Koch drie postulaten opgesteld, bekend als ‘de
postulaten van Koch’:
1. De verwekker moet worden gevonden bij alle patiënten die aan de
desbetreffende infectieziekte lijden, maar niet bij gezonden. De verdeling van
de verwekker in of op het lichaam moet overeenkomen met de locatie van
waargenomen laesies.
2. De verwekker moet uit materiaal van de patiënt geïsoleerd en buiten het
lichaam in reincultuur gekweekt kunnen worden.
3. Het geïsoleerde micro-organisme moet bij enting in een gevoelige diersoort
aanleiding geven tot de karakteristieke ziekteverschijnselen en weer uit het
proefdier kunnen worden geïsoleerd.
, 2. Wat zijn virussen en bacteriën (verschillen)?
Virussen vormen een aparte groep biologische agentia die ziekte bij de mens
kunnen veroorzaken. Hun meest karakteristieke eigenschap is dat zij voor
vermeerdering afhankelijk zijn van levende gastheercellen. Ze zijn kleiner dan
bacterien (niet zichtbaar onder lichtmicroscoop) en bevatten alleen DNA of
alleen RNA als drager van genetische informatie. (men denkt dat het misschien
degeneratieve vormen van bacterien of eukaryote cellen of dat ze het
verzelfstandigde onderdelen van cellulair DNA of RNA zijn.)
Bacterien zijn wel onder de lichtmicroscoop te zien. Cellen van Eucarya: Zij
bezitten een duidelijke celkern met meerdere chromosomen omgeven door een
kernmembraan (eurayoot) terwijl de cellen van Bacteria en Archea slechts over
1 circulair gesloten chromosoom beschikken dat vrij in de cel ligt (prokaryoot).
Ze hebben naast hun chromosoom vaak ook kleine, circulair gesloten, DNA-
moleculen die zich zelfstandig in het cytoplasma handhaven en repliceren.
(worden plasmiden genoemd)
Een bacterie heeft wel een celwand om het plasmamembraan van
peptidoglycaan en is gevoelig voor antibiotica. Het kan zich vermenigvuldigen
binnen en buiten de gastheercel. En heeft 70S ribosomen. Kan zich binden op
DNA & RNA
Een virus heeft geen ribosomen en ook geen celwand om het
plasmamembraan, het is ook niet gevoelig antibiotica en kan zich alleen binnen
de gastheercel repliceren. Een virus kan een levende cel binnendringen, daarin
vermenigvuldigen en vervolgens vrijkomt in een opnieuw infectieuze staat. Een
virus is zelf geen levend micro-organisme maar kan wel interactie aangaan met
een levende cel.
Structuur van een virus bestaat uit een nucleïnezuur (DNA of RNA), omgeven
door een eitwitmantel. Omdat een virus geen ribosomen heeft kan het dus niet
zelfstandig eiwitten synthetiseren.
Een virus met een envelop is gevoelig voor warmte en een virus zonder envelop
is dat niet.
De envelop is opgebouwd uit het cyclysplasmamembraan of het EPR van de
gastheer