,
, Week 1
Doel van recht
= Het ordenen van een vreedzame en rechtvaardige samenleving.
Hoe bereik je dit: - ordenen van menselijk gedrag door het stellen van regels
- handhaven van regels door geschilbeslechting
Geschilbeslechting
= Het recht heeft een geschillen-oplossende functie
Geschil = - Conflict tussen partijen
- Verschil van mening
- Twistpunt
- Problematische situatie
In een geschil vraagt een eiser om een oordeel van een rechter en verweert een gedaagde zich.
Een geschil wordt berecht door een rechter, (hoe) door middel van argumentatie en redeneren.
Juridisch redeneren en denken
Redenering is een schriftelijk of mondelinge uiteenzetting waarmee je een ander van een ingenomen juridisch
standpunt probeert te overtuigen.
Juridisch: gerechtelijk; betrekking hebbend op het recht.
Juridisch redeneren is het toepassen van regels en precedenten op feiten.
Juridisch redeneren is het gehoorzamen van die autoriteit.
Juridisch denken
- Creatief denken: vermogen om nieuwe/ongebruikelijke maar wel toepasbare ideeën voor
bestaande vraagstukken te vinden.
- Analytisch denken: oplossen van problemen door vragen te ontleden in kleinere delen, verbanden
leggen en logische conclusies trekken.
- Kritisch denken: controleren van veronderstellingen en informatie, vormen en onderbouwen van
een mening en kiezen van een geschikte oplossing.
Hoe doet een jurist dit?
Argumenteren: met argumenten kan je een standpunt verdedigen of die van een ander aanvallen.
Analyseren: systematisch ontleden van een complex probleem in zijn elementen.
Overtuigen
Logos: overtuigen door het geven van argumenten
Deductieve argumenten: volgt uit de aannames logischerwijs een conclusie (bv. een rechter moet een
juridische opleiding hebben gedaan, Henk is rechter, dus Henk heeft een juridische opleiding gedaan).
Inductieve argumenten: volgt een algemene conclusie uit een aantal aannames, die specifieke gevallen
beschrijft (bv. panda a en b eten bamboe, dus alle panda’s eten bamboe).
Ethos: overtuigen door een positief beeld van jezelf te geven (integriteit en deskundigheid)
Pathos: overtuigen door in te spelen op de gevoelens van het publiek (niet argumentatief)
Rechtsregels
= sprake van een complexe structuur met meerdere voorwaarden.
, Week 1
Doel van recht
= Het ordenen van een vreedzame en rechtvaardige samenleving.
Hoe bereik je dit: - ordenen van menselijk gedrag door het stellen van regels
- handhaven van regels door geschilbeslechting
Geschilbeslechting
= Het recht heeft een geschillen-oplossende functie
Geschil = - Conflict tussen partijen
- Verschil van mening
- Twistpunt
- Problematische situatie
In een geschil vraagt een eiser om een oordeel van een rechter en verweert een gedaagde zich.
Een geschil wordt berecht door een rechter, (hoe) door middel van argumentatie en redeneren.
Juridisch redeneren en denken
Redenering is een schriftelijk of mondelinge uiteenzetting waarmee je een ander van een ingenomen juridisch
standpunt probeert te overtuigen.
Juridisch: gerechtelijk; betrekking hebbend op het recht.
Juridisch redeneren is het toepassen van regels en precedenten op feiten.
Juridisch redeneren is het gehoorzamen van die autoriteit.
Juridisch denken
- Creatief denken: vermogen om nieuwe/ongebruikelijke maar wel toepasbare ideeën voor
bestaande vraagstukken te vinden.
- Analytisch denken: oplossen van problemen door vragen te ontleden in kleinere delen, verbanden
leggen en logische conclusies trekken.
- Kritisch denken: controleren van veronderstellingen en informatie, vormen en onderbouwen van
een mening en kiezen van een geschikte oplossing.
Hoe doet een jurist dit?
Argumenteren: met argumenten kan je een standpunt verdedigen of die van een ander aanvallen.
Analyseren: systematisch ontleden van een complex probleem in zijn elementen.
Overtuigen
Logos: overtuigen door het geven van argumenten
Deductieve argumenten: volgt uit de aannames logischerwijs een conclusie (bv. een rechter moet een
juridische opleiding hebben gedaan, Henk is rechter, dus Henk heeft een juridische opleiding gedaan).
Inductieve argumenten: volgt een algemene conclusie uit een aantal aannames, die specifieke gevallen
beschrijft (bv. panda a en b eten bamboe, dus alle panda’s eten bamboe).
Ethos: overtuigen door een positief beeld van jezelf te geven (integriteit en deskundigheid)
Pathos: overtuigen door in te spelen op de gevoelens van het publiek (niet argumentatief)
Rechtsregels
= sprake van een complexe structuur met meerdere voorwaarden.